Een omgevallen boekenkast

Wie zijn artikelen doorspekt met citaten kan nog wel eens het verwijt te horen krijgen dat hij of zij geen geleerde is maar een omgevallen boekenkast. Daarom vertellen de meeste onderzoekers liever na in eigen woorden, zoals ze dat al op de lagere school hebben geleerd, en wordt maar al te vaak de briljante scherpte van de oorspronkelijke formulering verdoezeld uit angst beschuldigd te worden van een gebrek aan oorspronkelijkheid. De op 19 december van het afgelopen jaar te Peking overleden geleerde Qian Zhongshu (geb. 1910) werd blijkbaar niet gehinderd door de angst uitgemaakt te worden voor een omgevallen boekenkast. Zijn gehele wetenschappelijk werk is opgebouwd uit een kunstig weefsel van citaten. In dit geval is het trouwens beter te spreken van een ontketende bibliotheek want hij citeerde niet alleen vrijelijk uit alle genres van de pre-moderne Chinese literatuur maar ook uit bronnen en studies in het Grieks, Latijn, Engels, Frans, Duits, Italiaans en Spaans.

Qian Zhongshu was dan ook zonder meer de meest erudiete Chinese geleerde op het terrein van de traditionele Chinese literatuur van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in Wuxi (niet ver van Shanghai) in een familie met een lange wetenschappelijke traditie en al op jonge leeftijd onderscheidde hij zich door zijn verbluffende intelligentie en fenomenale geheugen. Na zijn studie Engels aan de beroemde Qinghua Universiteit in Peking zette hij, samen met zijn echtgenote, de romaniste Yang Jiang, zijn studie voort in Oxford en Parijs. Ondanks het aanbod van een baan in Oxford, keerde het echtpaar in 1938 terug naar China, waar sinds 1937 de Tweede Wereldoorlog woedde. Aanvankelijk was Qian verbonden aan een voor het oorlogsgeweld naar het binnenland uitgeweken universiteit maar uiteindelijk bracht hij door familieomstandigheden het grootste gedeelte van de oorlogsjaren door in Shanghai.

In het door de Japanners bezette Shanghai waren buitenlandse films verboden en beleefde het moderne toneel een periode van economische bloei. Qian's echtgenote Yang Jiang ontpopte zich tot een succesvol toneelschrijfster. Qian zelf schreef tijdens deze periode zijn roman Weicheng (Belegerde vesting). De roman schetst een satirisch panorama van de vrijages en huwelijksperikelen van min of meer verwesterde Chinese academici. De titel verwijst dan ook niet naar het bezette Shanghai maar naar de huwelijkse staat. De roman verscheen in 1947 maar werd na de stichting van de Chinese Volksrepubliek in China zelf tot in het begin van de jaren tachtig vrijwel doodgezwegen. Inmiddels wordt het werk algemeen erkend als een van de geestigste en meest voldragen romans van de eerste helft van de twintigste eeuw en is ze ook verschenen in het Engels, Frans en Duits. Ten onzent heeft Michel Hockx het verlangen uitgesproken om de roman in het Nederlands te vertalen — laten we hopen dat dat ook spoedig gebeurt.

In 1953 werd Qian Zhongshu benoemd tot onderzoeker bij het Instituut voor Literatuur van de pas opgerichte Chinese Academie van Wetenschappen (nu van de Chinese Academie van Sociale Wetenschappen). Voor zijn mondiale belezenheid en satirische humor was echter weinig plaats in het China van de jaren vijftig en Qian publiceerde in die periode dan ook weinig. Men kan slechts aannemen dat hij veel tijd werd geacht te besteden aan de studie van het Marxisme en van het Russisch. Hij zou ook betrokken zijn geweest bij de Engelse vertalingen van het werk van Mao Zedong. Nauwelijks had hij in de jaren zestig de draad van zijn wetenschappelijk publicaties weer opgepakt, of de Culturele Revolutie brak uit. Qian Zhongshu en zijn echtgenote werden als zovelen van hun collega's onderwerp van kritiek en van 1969 tot 1972 verbleven ze onder de meest primitieve omstandigheden op het platteland in een zogenaamde kaderschool. Deze periode is op indrukwekkende wijze later door Yang Jiang beschreven in haar Ganxiao liuji (1981, onder andere vertaald door Isabelle Landry en Zhi Shang, als Six récits de l'école des cadres, Paris: Christian Bourgois, 1983).

Toen het echtpaar in 1972 mocht terugkeren naar Peking, bleek hun appartement bezet door andere bewoners en moesten ze de eerste jaren werken en wonen in hun kantoor. Pas in 1975 konden ze weer hun eigen huis betrekken. Maar juist in deze jaren, toen het openbare intellectuele leven nog geheel verstikt werd door `de Bende van Vier' — een periode die de Nederlandse lezers inmiddels uit een geheel ander perspectief zo goed bekend is door Het lelietheater van Wang Lulu — schreef Qian Zhongshu zijn magnum opus Guanzhui bian (Met bamboe en els). De vier dikke delen werden in 1979 uitgegeven door China's meest prestigieuze staatsuitgeverij Zhonghua shuju en hun verschijning sloeg in als een bom.

`Met bamboe en els' was dan ook het absolute tegendeel van alles wat er in de voorgaande decennia op het terrein van de geesteswetenschappen in de Chinese Volksrepubliek was gepubliceerd door levende schrijvers, al was het maar omdat Qian Zhongshu gekozen had voor het gebruik van de klassieke schrijftaal, het idioom van het Keizerrijk dat na de Literaire Revolutie van 1917 verbannen was naar de marge van cultuur en samenleving. Het werk bestond uit bijna vijftienhonderd kortere en langere essays, die elk opgehangen waren aan een citaat uit een hoogstklassieke filosofische, historische of literaire tekst. Het citaat is dikwijls hoogstens de aanleiding tot het essay maar de volgorde van de citaten in de bronteksten bepaalt wel de volgorde van de essays in `Met bamboe en els', wat het nu niet direct eenvoudiger maakt om eventuele hoofdlijnen te volgen.

Qian Zhongshu presenteerde zich door de titel van zijn magnum opus als de onpraktische kamergeleerde die slechts geïnteresseerd is in details. De titel `Met bamboe en els' verwijst immers naar een uitspraak in de Zhuangzi waarin lieden met een beperkt denkraam worden vergeleken met personen die de hemel in volle omvang denken te kunnen observeren door een holle bamboebuis of de dikte van de aarde denken te kunnen meten met een els. De Duitse sinologe Monika Motsch heeft er echter in haar studie Mit Bambusrohr und Ahle (Frankfurt a.M.: Peter Lang, 1994) op gewezen dat Qian Zhongshu's werk niet alleen een rariteitenkabinet is maar wel degelijk een verderreikend oogmerk heeft. Juist door de insistente aandacht voor het detail, voor de polyinterpretabiliteit van alle feiten en uitspraken, voor de interne tegenstrijdigheden van canonieke teksten en de soms gruwelijke gevolgen van goede bedoelingen wordt de waarheidsclaim van iedere hegemonistische ideologie ondergraven. Voor de goede lezer is het dan niet nodig om de Partij of de Leider bij name te noemen.

Inmiddels is er een uitgebreide selectie uit `Met bamboe en els' in het Engels verschenen als Limited Views, Essays on Ideas and Letters, Selected and translated by Ronald Egan (Cambridge Mas.: Harvard University Press, 1998), zodat nu ook de Westerse lezers (om te beginnen alle sinologen die niet zo erudiet zijn als de auteur) kennis kunnen nemen van een representatieve keuze van zijn essays. De vertaler Ronald Egan is zelf een specialist op het terrein van de literatuur en cultuur van de Song-dynastie (960-1278). Egan's voorlaatste publicatie was Word, Image and Deed in the Life of Su Shi (Cambridge Mas.: Harvard University Press, 1994), een alzijdige intellectuele biografie van de dichter Su Shi (Su Dongbo, 1037-1101). De Song-dynastie is de eerste periode in de Chinese geschiedenis waarin de Chinese intellectuelen dankzij de uitvinding van de boekdrukkunst onbeperkt toegang hadden tot hun eigen geschreven traditie, zodat ze zich verlustigden in een vertoon van eruditie. Een specialist op dat terrein is misschien dan ook wel de meest gepaste persoon om een heksentoer als de (gedeeltelijke) vertaling van `Met bamboe en els' te klaren.

Egan heeft in zijn bundel 65 essys van Qian Zhongshu opgenomen. Voor elk essay heeft hij waar mogelijk de herkomst van de tientallen gebruikte citaten gelokaliseerd. De opgenomen essays zijn thematisch geordend in zes groepen, die zich bewegen van `General Issues in Aesthetics and Criticism' en `Metaphor, Image, and the Psychology of Perception' tot `The Demonic and the Divine' and `Society and Thought'. In de twee laatste afdelingen vindt men onderhoudende stukken als `Witchcraft', `Ghosts That Die', `Poets in Hell', `Rivalry Between Shamans and Doctors' en `Monks and Lice'.

Liefhebbers van oosterse wijsheid wordt echter vooral de sectie `On `Laozi', with Reference to Buddhism and Other Mystical Philosophies' warm aanbevolen. Qian Zhongshu legde daarin haarscherp de interne tegenstrijdigheden bloot van Laozi's dialectiek, en trok een directe lijn van Laozi's mystieke boodschap naar de rücksichtslose Realpolitik van de legalistische filosofen die zich op hem beriepen. Vandaar trok hij de lijn door naar het schrikbewind van hun leerling, de door Mao Zedong zo bewonderde Eerste Keizer, die zevenhonderdduizend dwangarbeiders liet zwoegen aan zijn door toeristen tegenwoordig zo graag bezochte graf.