Een knieval voor wereldmarkt en belastingbetaler

De raad van ministers van Landbouw van de Europese Unie heeft waarschijnlijk nooit eerder voor lastiger onderhandelingen gestaan dan die over Agenda 2000, waarin het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2000 tot 2006 wordt geschetst. Met de hete adem in de nek van naar schatting 30.000 demonstrerende Europese boeren, die een goed deel van Brussel onbereikbaar maken, beginnen de bewindslieden uit de vijftien lidstaten volgende week aan de ontrafeling van een knoop, die uit vier draden bestaat: de wijn, de zuivel, het rundvlees en de akkerbouw.

Sinds dit beleid in 1962 voor het eerst werd gefinancierd uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) is het verscheidene malen herzien. In 1992 werd het beleid over een andere boeg gegooid. Niet langer lag de klemtoon op de prijs die boeren kregen voor een aantal essentiële producten, maar werd de steun omgebogen naar inkomenspremies, zodat met die producten – afgedwongen door de Uruguay-ronde – beter op de wereldmarkt kon worden geconcurreerd. Dat beleid moet volgens de voorstellen van de Europese Commissie flink worden versterkt, zo blijkt uit Agenda 2000.

Een nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid is nodig omdat Estland, Polen, Tsjechië, Slovenië, Hongarije begin volgende eeuw tot de EU willen toetreden, gevolgd door nog een aantal Oost-Europese staten. Op die landen is het huidige beleid niet toegesneden en het zou bovendien onbetaalbaar zijn. Ook een nieuwe onderhandelingsronde in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) dwingt de Unie het beleid verder te herzien. De steun zoals die binnen Europa aan boeren wordt gegeven in de vorm van prijsinterventies en exportrestituties wordt door derde landen als de Verenigde Staten niet langer getolereerd en moet dus worden afgebouwd. Bovendien, zo signaleert de politiek, ontbreekt langzamerhand het `maatschappelijk draagvlak' voor de bestaande landbouwpolitiek. De belastingbetaler voelt er niet langer voor een agrarische sector in leven te houden, die jaarlijks ruim 40 miljard euro (meer dan tachtig miljard gulden) aan subsidie ontvangt en daarmee bijna de helft van het totale EU-budget opslokt.

Volgende week moeten de ministers onder Duits voorzitterschap proberen compromissen te sluiten over de voorstellen die Europees Commissaris voor de Landbouw, de Oostenrijker Franz Fischler bijna een jaar geleden presenteerde. Geen lidstaat en geen boerenorganisatie kon zich daar toen in vinden, maar de kogel moet nu door de kerk. Dat de bewindslieden er helemaal uitkomen wordt echter alom betwijfeld, temeer omdat voor een aantal lidstaten de financiële armslag uiterst beperkt is. Minister Zalm (Financiën) eist de `nulgroei', want Nederland is al enige tijd netto-betaler (betaalt meer dan het ontvangt) en de wens de kosten beperkt te houden wordt door de EMU-discipline steeds breder gedeeld. Voor een land als Franrkijk – netto-ontvanger – liggen de belangen echter heel anders.