Doekje?

`W AAROM IK zo'n hekel heb aan die petjes? Dat is niet vanwege die dingen op zich, maar omdat ze zich daarmee anders gaan gedragen', zo vertelde me onlangs een leraar. De invloed van kleding op het gedrag, het is een waarheid als een koe. Met lange jurk en chique hoed gedraag je je anders dan in spijkerbroek en slobbertrui. Zo'n petje staat voor een mengsel van onverschilligheid en kom maar op, en versterkt daarmee de uitstraling die sommige pubers toch al zo weinig innemend maakt.

Nu zijn er goede gronden om die petjes op school te verbieden. Als je ergens binnen komt zet je je pet af, zo willen de gebruikelijke omgangsregels. Omdat de school bedoeld is als voorbereiding op de maatschappij, ligt het voor de hand daar het hanteren van de pet aan de in de maatschappij gebruikelijke regels te onderwerpen. De leraar die zegt geen last te hebben van die petjes, en dat ze er heus niet minder van gaan leren, heeft geen poot om op te staan. In je blote kont kun je ook uitstekend leren.

Petjes worden vaak vergeleken met hoofddoekjes. In zekere zin is dat begrijpelijk. Evenals de drager van het petje roept ook de draagster van het doekje bij velen negatieve gevoelens op. Als Rudy Kousbroek in 1994 na 15 jaar afwezigheid in Indonesië terugkeert, wordt hij getroffen door de opmars van de doekjes. ``Het is pijnlijk maar waar: die hoofddoekjes maken de fysionomieën er niet intelligenter op; je ziet nu opeens vrouwen met vreemde kwezelachtige gezichten, zoals er vroeger nooit waren. Net als bij petjes geldt ook hier dat het effect ervan op de omgeving niet voor iedereen hetzelfde is. Zoals sommigen onverschillig zijn voor het petje, zo zullen er ongetwijfeld ook mensen zijn die de gevoelens van Kousbroek niet delen.

Naast deze overeenkomst is er ook een groot verschil. De pet is een autochtoon attribuut, wat ons in staat stelt het hanteren ervan aan onze traditionele, autochtone regels te binden. Dat geldt niet voor de hoofddoekjes, en omdat in de landen waar de draagsters vandaan komen, daar heel verschillend tegenaan wordt gekeken, kunnen ook daar geen vaste regels aan worden ontleend.

Op een basisschool in Haarlem werd een stagiaire vanwege haar hoofddoekje geweigerd. De Commissie Gelijke Behandeling concludeerde dat de school dit niet had mogen doen. De Wet Gelijke Behandeling bepaalt namelijk dat niemand het dragen van een hoofddoek als godsdienstige uiting mag worden ontzegd. Aldus de Volkskrant.

Dat een volwassene zoals de bewuste stagiaire kiest voor het hoofddoekje, is, zo kun je stellen, haar zaak. Toch doe je daarmee de school tekort. Dat hoofddoekje staat namelijk voor meer, en dat meer staat haaks op wat docenten geacht worden op hun leerlingen over te dragen, namelijk dat de eis van gelijke behandeling het logische voortvloeisel is van veronderstelde gelijkwaardigheid.

Hoofddoekjes worden gebruikt als instrument om meisjes verre te houden van onze verwerpelijke maatschappij. Dat verwerpelijke zit onder meer in onze opvatting omtrent de gelijkwaardigheid van beide seksen. Dat jongens er `gewoon' bij lopen, kan blijkbaar geen kwaad, maar meisjes worden gedwongen tot herkenbare apartheid. Die hoofddoekjes voor minderjarige leerlingen op openbare scholen zou ik dan ook willen verbieden. In naam van de Wet Gelijke Behandeling: dezelfde wet die volwassenen het recht geeft daar desgewenst zelf voor te kiezen. En ik ben het geheel eens met de Haarlemse docenten als zij menen dat het voor kinderen moeilijk moet zijn die opvatting van gelijkwaardigheid te rijmen met een juf met hoofddoek.