Cubanen conserveren hun traditie

Valt er aan de Cubaanse son, na alle orkesten die hier de laatste jaren zijn gepasseerd, nog een onbekend aspect te ontdekken? De bandjes hebben vrijwel allemaal dezelfde bezetting: leadzanger, drie `gitaarachtigen', bas en bongo. Om er een septet van te maken zit er ofwel extra slagwerk of een trompetje bij. De meeste komen uit de voormalige `Oriente Province' waar de son lang geleden ontstond als een fusion van Spaanse zangtradities en Afrikaanse ritmiek.

Het nu terrein verkennende Septeto Habanero – volgend jaar maakt het, deo volente, een langere toernee door Nederland – wijkt enigszins van de standaard af. Ze hebben drie leadzangers in plaats van één en leveren daar een gitarist voor in. Het gevolg is dat er acht man op het podium staan, wat voor een septet natuurlijk vrij origineel is.

Er wordt dus extra veel gezongen, heel melodieus en vaak tweestemmig, net als op Orgullo de los Soneros, de cd die onlangs verscheen. Maar verder doet de band met succes zijn best geen zaken overhoop te halen. De stukken duren zelden langer dan vijf minuten en zijn vrijwel allemaal matig snel en daardoor geschikt voor dansers van elke leeftijd. Dat er nauwelijks wordt geïmproviseerd – de trompettist speelt zelfs van bladmuziek – is voor hen alleen maar prettig want wat moet je als danser met die lange riedels waar de jongere Cubaanse musici vaak zo gek op zijn? Het octet Septeto Habanero, dat in 1920 als sextet begon, conserveert nadrukkelijk de traditie, zelfs in de gedragen kledij. De leden steken allemaal in kostuum met stropdas, slechts de hoofddeksels verschillen.

Het enige dat in het uitverkochte RASA echt verrast, is de kwaliteit van het geluid. De balans is beter dan op de plaat, de totaalklank rond en vol in plaats van blikkerig. Het onderstreept wat Cuba-volgers al jarenlang weten: Cubaanse musici horen niet in blik, die gedijen het best op een podium.

Concert: Het Cubaanse octet Septeto Habanero. Gehoord: 18/2 RASA, Utrecht.

    • Frans van Leeuwen