CHOMSKY 7

Ik heb met belangstelling de bijdragen van uw lezers aan het debat over de Chomskyaanse taaltheorie gelezen (W&O, 6 en 13 februari, naar aanleiding van het artikel `Wonderlijke waren woorden wezenloos?', W&O 23 januari). Typisch voor het gehalte van de kritiek op die theorie lijkt me met name de bijdrage van de heer Bolognesi (W&O, zaterdag 13 februari) die, naar aanleiding van Chomskys definitie van de universele grammatica als `theory of the initial state of mind (So)', verzucht dat `ondanks mijn strenge Generatief Taalkundige opvoeding aan het Holland Institute of Generative Linguistics (HIL), begrijp ik niet wat deze pseudowiskundige definitie betekent'. Het lijkt er sterk op dat de opvoeding van de heer Bolognesi aan het HIL niet streng genoeg is geweest. Zijn opmerking doet me denken een de niet-natuurkundige die, de pseudowiskunde vervloekend, smalend uitroept: `Laat maar eens zien wat die State-zero betekent, Hawking!'. Misschien zou de heer Bolognesi zichzelf een dienst kunnen bewijzen door een, in verband met de tegenwoordige informatielast niet al te ingewikkeld, boekje over de axiomatisch-deductische aard van de moderne wetenschap te raadplegen.

En nu we toch leerzaam bezig zijn zouden een aantal van de deelnemers aan het debat over de generatieve taalkunde misschien de moeite kunnen nemen om, bij kennelijk gebrek aan eerstehandse kennis van die taalkunde en derhalve van de theorie van de universele grammatica, het uitstekende leerboek van Andrew Radford `Syntactic theory and the structure of English: A minimalist perspective' (Cambridge University Press, 1997) te lezen. (Ik sluit de auctor intellectualis van dit debat, de heer Spiering, zeker niet van deze aanbeveling uit). Wellicht kan het debat daarna op een iets reëlere basis voortgezet worden.