CHOMSKY 6

Sinds ik meer dan veertig jaar geleden Chomsky's eersteling, `Syntactic Structures', accepteerde voor de door mij voor de toenmalige uitgeverij Mouton geredigeerde serie Janua Linguarum heb ik mij altijd verbaasd over het feit dat een theorie die pretendeert dat de taalstructuur kan worden onderzocht zonder de betekenis of de communicatiefunctie van de taal erbij te betrekken überhaupt enige weerklank kon vinden. Het is niet verwonderlijk dat de gigantische warwinkel die hij bijeengeknutseld heeft, ten slotte Chomsky moest dwingen tot vereenvoudiging. (zie Hendrik Spierings `Wonderlijke waren woorden wezenloos?', W&O 23 jan, en ook de New York Times van 5 december 1998 waar zijn vereenvoudiging door Magalit Fox wordt weergegeven: `Veronderstel dat een bovenaardse superingenieur, met één enkele efficiënte zet de mens de gift van de taal schonk die hij daarvoor niet bezat.') Zijn werk mist alle mathematische elegantie.

Het is een empirisch feit dat de taal bestaat uit instructies, uitgaande van de spreker en bestemd voor de toehoorder, hoe die toehoorder de objecten, gebeurtenissen en begrippen in de rondom hem waarneembare wereld kan identificeren. De instructies overgebracht door een taal bestaan uit verzamelingen van die identificaties uitgedrukt in de termen van de klassieke verzamelingstheorie.

De syntaxis is niet meer dan een product van de relaties tussen identificatieverzamelingen. Zo groeit een heel eenvoudig structuurprincipe uit tot enorme taalsystemen. Het is duidelijk dat de verhoudingen tussen de betekenissen van taal tot taal op dezelfde wijze tot stand komen.

Chomsky's opvatting van de taal gaat terug op zijn leermeester Z.S. Harris, die stelt dat men kan volstaan voor de beschrijving van een taalstructuur met het vaststellen van de combinaties die de eenheden van een taal met elkaar aangaan (hun distributie). Maar als dat zo is, moet men op zijn minst drie eenheden hebben die a priori van elkaar verschillen. Dat betekent dat die eenheden van elkaar verschillen op andere wijze dan door hun combinatiemogelijkheden (hun distributie), hetgeen wil zeggen dat Chomsky al meer dan veertig jaar in een vicieuze cirkel verstrikt is. Het enige dat kennelijk universeel is is de betrekking tussen een verzameling en zijn deelverzameling, een wiskundige relatie dus. Chomsky heeft al die jaren geprobeerd een systeem van distributies voor de taaleenheden op te zetten, dat hoe langer hoe ingewikkelder is geworden maar uiteindelijk nooit iets anders kan doen dan alle combinatiemogelijkheden te herhalen, en daarbij alle zinnen van een taal te reconstitueren.

Toen Chomsky's bouwsel met zijn — nu door hem verworpen — dieptestructuren en transformaties, allemaal distributionalistische kunstgrepen, zo ingewikkeld werd dat men zich moest afvragen hoe dat alles ontstaan was, greep Chomsky terug op twee principes die hij als junior fellow op de colleges van Jakobson aan Harvard en MIT kon horen maar waarin de generatie van zijn leermeester Harris, de Neobloomfieldians, over het algemeen niet geloofde: de beschrijving van een taal is een weerklank van de wijze waarop het taalmechanisme in de hersenen werkt, en van de wijze waarop dat mechanisme, van de geboorte af aan, stap voor stap in de kinderjaren wordt opgebouwd. Hij nam het eerste principe over en verdraaide het tweede (en daarmee ook het eerste): het taalmechanisme is van de geboorte af al in de hersenen aanwezig — waarmee elke verklaring van de ingewikkeldheid van zijn gepruts de pas wordt afgesneden.

Het ongelukkige feit aangaande Chomsky is dat zijn opleiding in de taalwetenschap vergeleken bijvoorbeeld met een Nederlandse opleiding van de jaren dertig van deze eeuw, buitengewoon slecht is geweest. Hij kent, voorzover mij bekend, vrijwel geen talen, behalve natuurlijk zijn moedertaal Engels, en verder Hebreeuws, en wat Arabisch en Frans. Zijn theoretische training heeft hij voornamelijk ontvangen van de fanaticus Harris, die getracht heeft een distributionalistische taalwetenschap op te bouwen. Om te blijven pretenderen origineel te zijn, moest Chomsky gedurende zijn carrière, vanaf zijn benoeming aan MIT in 1955, wel doorgaan met het voortbrengen van nieuwe hersenspinsels, waarvan hij de meeste nu terecht herroept. Helaas zijn talloze begaafde linguïsten hem op zijn dode spoor gevolgd. De tragiek van het geval Chomsky doet denken aan de economische wet van Sir Thomas Gresham: Bad money drives out the good (1558).