Bomen op rijtjes

Pal ten noorden van Leeuwarden groeit het Leeuwarder Bos. In augustus 1991 werd het aangekondigd: 140 hectare zou er komen. Het doel was een `multifunctioneel' bos, dat recreatie, natuurbescherming en houtproductie zou dienen.

Niet alle omwonenden waren er blij mee; sommige zagen liever weilanden. Dat vond ik flauw. Wat is er mooier dan bos? Wel herinner ik me mijn eigen wantrouwen toen ik hoorde dat het bos zou worden aangeplant volgens een bestek, gemaakt door een ingenieursbureau. Maar ik begreep dat de bosbouwers dolgelukkig waren dat ze een keertje mochten werken op vruchtbare klei in plaats van op waardeloze zandgrond. Dat gunde ik ze.

Laatst ben ik wezen kijken. Aan de noordrand van de stad loop je zo dat bos in. Daar ben ik me een ongeluk geschrokken. De bomen staan in akkertjes van een hectare bij elkaar. De akkertjes zijn rechtlijnige vierhoeken, gescheiden door slootjes, die net te breed zijn om overheen te springen. De bomen staan soort bij soort, niet meer dan twee soorten per akker, in de slagorde van een oorlogskerkhof. Alle bomen op een akker zijn even oud.

Ik heb niet alle 140 hectaren kunnen inspecteren, maar toevallig kun je bij deze geometrie door de bomen kilometers bos zien. Met natuur heeft dit niets te maken, met monocultuur alles. Een hert heeft hier een plattegrond nodig om van de ene akker de andere te bereiken. Als ik een hert was nam ik het fietspad. Eerlijk gezegd had ik niet gedacht dat, na Pluk van de Petteflet, grote mensen nog zo'n park zouden durven maken.

Met recreatie heeft het evenmin iets van doen. Na een paar honderd meter op het kaarsrechte fietspad was ik twee of drie van die percelen voorbij, had ik uitzicht op nog een aantal en had ik geen trek in méér. Dan liever Manhattan. Als er in het Leeuwarder Bos ergens spannende plekjes zijn gepland, is het waarschijnlijk de bedoeling dat alleen de zeer sterken die bereiken.

Destijds heb ik gevraagd waarom ze het bos niet vanzelf lieten ontstaan. Tenslotte pakken graslandbeheerders zonder koeien periodiek de maaimachine omdat er anders bos ontstaat. Het antwoord was dat de Leeuwardenaren dan een generatie lang op hun bos moesten wachten.

Dat vond ik redelijk. Als je meteen gekweekte boompjes van één meter in de grond steekt, van gecertificeerd snelgroeiende soorten, scheelt dat een paar jaar.

Maar met de aanpak van nu duurt het juist extra lang voor je iets krijgt dat er engiszins interessant en natuurlijk uitziet, als het ooit zover komt. Je kunt moeilijk straks met de hand de bomen door elkaar gaan zetten. Wel kun je nu en dan wat weghalen, maar het kunstmatige rijtjespatroon blijft tientallen jaren zichtbaar. De bomen blijven allemaal even hoog. Hooguit komt er, als de ingenieurs ons genadig zijn, een tweede generatie onder van precies even hoge bomen van een andere soort.

Bomen op rijtjes, soort bij soort zetten, is de reflex van de bosbouwer die niet van zijn collegestof heeft kunnen loskomen, of het resultaat van een doelbewust streven naar maximale houtopbrengst. Als we de laatste mogelijkheid even terzijde schuiven als al te directe bedriegerij van het publiek, houden we dus over: oogkleppen.

En het Leeuwarder Bos is niet uniek. Met het Diemer Bos ten zuidoosten van Amsterdam is het van hetzelfde laken een pak. Rijtjes.

Intussen lees ik dat de geplande uitbreiding van het Nederlandse bosareaal stagneert. Vermoedelijk zijn de nepbossen bij Leeuwarden en Diemen nog als bos meegeteld ook. Vooral in de Randstad schiet het niet op, zegt de Stiching Bos en Hout. Moest daar niet een Bentwoud komen, bij Zoetermeer?

Ik zou het fijn vinden als ze daar de moeite namen de bomen door elkaar te zetten, schots en scheef. Nee, beter nog, laat ze door kinderen planten, en vertel de kinderen niet van te voren waar ze hun boompje moeten ingraven, of hoe. En herhaal dat tien jaar achter elkaar. Anders heb zelfs ik liever weilanden. Of tegels.