Bijlmer-enquête

Voor lezers die Hofland zijn gaan hoogschatten als genuanceerde - en boven de partijen staande - figuur was zijn column van 17 februari teleurstellend. Hij besluit die column met de conclusie dat ,,de Nederlandse politiek op het ogenblik in staat van afbraak is''.

Uit het daaraan voorafgaande betoog blijkt dat hij van mening is dat de Nederlandse pers in dat proces geen enkele negatieve rol speelt. Integendeel.

Daarmee geeft hij blijk toch gewoon te behoren tot de journalistieke coterie en niet tot de kleine groep van `wijzen', die een positie hebben verworven die hun het recht verleent om boven de partijen te gaan staan. Opvallend was zijn reactie op het opiniestuk van de heer Vasterman (13 februari) die hij verweet hem te herinneren aan de obligate afkeer van het journaille en persmuskieten.

Dat is jammer, want ons land telt niet veel van die figuren. Voor een serieuze lezer zijn in de afgelopen dagen enkele zaken duidelijk geworden:

Het gemis aan discipline bij de media om te wachten op het eindrapport en de conclusies van de enquêtecommissie en vervolgens na elk verhoor de nog volstrekt onbewezen feiten als de waarheid te suggereren.

Voorts het geen rekening houden met het feit dat parlementariërs niet zijn opgeleid en ook niet zijn gekozen om rechtszittingen te houden. Een deerlijk gemis in het parlementaire enquêtegebeuren, waardoor de betekenis van dit instituut ernstig wordt geschaad.

En tenslotte het feit dat die parlementariërs een wetgeving missen waaraan zij, evenals de beroepsrechters, de ontvangen informatie kunnen toetsen.