Biechtstoel

God zalft en God straft: zo is het leven, ook in de literatuur. Maar er waren wel een paar dozijn heel mooie boeken dit jaar, en van het dozijn bijzonder mooie waren deze drie, naar het oordeel van de jury, misschien wel de allermooiste. De lezer mag oordelen. En de pers haar commentaar geven. Hoe meer hoe beter.'' Aardige en relativerende woorden, opgeschreven door de hooggeleerde Ludo Simons, voorzitter van de jury die moet beslissen over de Vlaamse boekenprijs de Gouden Uil in de categorie non-fictie. Ik zeg daar verder niets over omdat ik lid ben van die jury en de onvolprezen Simons zijn onderdanen één wijsheid grondig heeft ingepeperd: gij zult niet uit de biechtstoel klappen. Daarmee bedoelt hij dat de beraadslagingen in een jury binnenskamers dienen te blijven. Alleen over het resultaat van de jurering – de nominaties en uiteindelijk de winnaar – worden mededelingen verstrekt. En zo hoort het ook.

In de categorie fictie schijnt het er wat anders aan toe te gaan. Misschien ligt het niet op mijn weg om commentaar te geven op de werkwijze van die jury, maar ik veroorloof het me toch maar. Het is tenslotte mijn biechtstoel niet en ik heb me nogal opgewonden over het ,,geklap'', Vlaams voor geklets, van Jos Borré die de jury in de categorie fictie voorzit. God zalft en God straft, maar Borré denkt dat hijzelf God is, een louter straffende God, de God der wrake.

Hij produceerde een `nota' waarin hij de vloer aanveegt met de hele Nederlandstalige literatuur. ,,Hoewel de categorie fictie met meer dan 250 titels een recordaantal inzendingen bereikte, is de jury (alweer) niet opgetogen over de literaire productie van het afgelopen jaar'', toornt hij. Die productie zou ,,middelmatig'' zijn, ,,geen overheersend thema'' hebben, terwijl ,,maatschappelijke analyse, psychologische diepgang, doorlichting van de tijdgeest en grensverleggende verbeelding'' uitzondering zijn. ,,De Nederlandse literatuur'', zo oordeelt de jury, mist ,,epische bevlogenheid'' en spitst zich toe op ,,een persoonlijke mededeelzaamheid met een overvloed aan details die geen zeggingskracht of uitstraling krijgen''.

Begrijp ik het goed dan hebben mijn arme collega's van de fictiejury zuchtend en steunend de literaire productie van gerenommeerde schrijvers onder wie Mulisch, Nooteboom, Claus, Reve, Brakman, Dorrestein, Roemer, Uphoff, Tepper, Claes Van den Broeck en een handvol veelbelovende debutanten met de grootst mogelijke tegenzin doorgeworsteld. Met een machtige armbeweging zijn bijna al hun boeken vervolgens van tafel geveegd. Te licht bevonden, middelmatig, persoonlijk geneuzel. Weg ermee! Wat een straf om jurylid te zijn en je tijd aan die onzin te moeten verdoen.

Maar het is toch geen verplichting om in zo'n jury te gaan zitten? Zoiets doe je uit liefde voor literatuur of op zijn minst uit onbevangen belangstelling ervoor, lijkt me, in elk geval niet op grond van een afkeer ervan of uit haat. Een literaire jury als die van de Gouden Uil heeft bovendien helemaal niet tot taak een oordeel uit te spreken over Nederlandse literatuur als zodanig, ze moet de naar haar mening beste boeken van het afgelopen jaar aanwijzen en haar keuze in een juryrapport verantwoorden. De bedoeling daarvan is die boeken in de schijnwerpers te plaatsen, de belangstelling ervoor te vergroten en de aandacht te vestigen op de auteurs. Een jury vervangt ook niet de literaire kritiek. Zij moet eren. Uit de biechtstoel klappen over de boeken die de jury om haar moverende redenen waardeloos vindt, hoort niet tot de opdracht van een voorzitter.

Jos Borré – ik ken hem niet, maar ik weet dat hij een bekend Vlaams literatuurcriticus is – denkt daar geheel anders over. In de Volkskrant van dinsdag lichtte hij zijn vernietigende oordeel over de Nederlandse literatuur toe en deed daar nog een schepje bovenop. Niet alleen de schrijvers van middelmatige wanproducten moesten het ontgelden, ook hun uitgevers. ,,Zij richten zich te eenzijdig op de commerciële kwaliteiten van een werk. Ze durven geen nee te zeggen uit angst dat de concurrent het wel uitbrengt. Er zal maar een nieuwe Connie Palmen tussen zitten.'' Het is waar dat pulp soms als literatuur wordt `gehypt' en dat de commercie af en toe de spuigaten uitloopt. Maar een jury zou beter, in plaats van uitgevers bestraffend toe te spreken, in haar keuze duidelijk kunnen maken dat uitgevers waardering oogsten met durf, experiment, nieuw talent en oorspronkelijkheid.

Overeenkomstig de heersende mode kregen ook de literaire critici en het publiek een veeg uit de pan, wegens hun ,,literaire gemakzucht''. Er is volgens Borré ,,in de media, bij de televisie en onder het publiek steeds meer belangstelling voor literatuur, maar vaak reikt die aandacht niet verder dan de schrijver en zijn verhaaltje''.

Nog niet zo lang gelezen las ik de – toegegeven – middelmatige roman van de Vlaamse auteur Wilfried Hendrickx, Het infrarood en het violet, waarin Jos Borré figureert onder de naam Pros Borné. Ik hou niet zo van naamgrappen, maar het valt moeilijk te ontkennen dat geborneerd in dit geval een toepasselijk woord is. Borrés ongearticuleerde geschimp op de Nederlandse literatuur draagt bij tot de algehele verzuring van het literaire klimaat, waarin met Gods zegen iedereen klaarstaat met een meninkje over boeken die men meestal niet eens gelezen heeft. Wat ook hoog scoort aan de bittertafel van het Grand Café is schelden op recensenten van die (ongelezen) boeken of op het achterlijke, van elke smaak gespeende, publiek dat zich verwaardigt literatuur te kopen.

En nu voer ik die verzuring nog een graadje op door de voorzitter van een literaire jury de mantel uit te vegen, denkt u natuurlijk. Het spijt me, dat is niet mijn bedoeling. Mijn vrees is alleen dat, als het zo doorgaat, een mooi instituut als de Gouden Uil zijn langste tijd heeft gehad. Want welke zichzelf respecterende auteur wil de winnaar zijn van de prijs der middelmatigen? Wie is er bereid zich te laten kronen tot Koning Eenoog in het land der blinden?