`Amerikanen zijn dialectdoof'

Het gevoel dat het met taal bergafwaarts gaat, is universeel, zegt de Amerikaanse hoogleraar taalkunde William Labov. Maar de vraag waarom taal verandert is onoplosbaar. Daarom kan men die vraag beter vervangen door de vraag wie taal verandert.

NEGERS IN Amerika zijn dom, en dat kun je horen aan de manier waarop ze praten. Ze zeggen vaak het tegenovergestelde van wat ze bedoelen, bijvoorbeeld `Ik heb niet geen appels gegeten' (I didn't eat no apples) als ze wel degelijk geen appels hebben gegeten. Dat laat duidelijk zien dat er iets mis is met hun denken. Hun taalarmoede blijkt ook uit dat voortdurend weglaten van het werkwoord `zijn' en andere grammaticale fouten. `Waar dat voor?' (What it for?) en `Hij snel in alles wat hij doen' (He fast in everything he do) is heel gewoon uit de mond van de zwarte bevolking uit de grote steden. Slecht Engels, taal uit de goot.

Eind jaren vijftig was dat toch wel het algemene idee, al drukten officiële instanties zich soms iets voorzichtiger uit. Nu, veertig jaar later, zijn er een paar dingen veranderd. Om te beginnen is het Black English, tegenwoordig ook African American English genoemd of Ebonics (naar ebony, het zwart van ebbehout en phonics, zoiets als `klanken'), onderzocht.

Onder leiding van William Labov trokken taalkundigen in de jaren zestig al de binnensteden van onder meer New York, Philadelphia en San Francisco in om vast te leggen hoe gangs als de Jets, de Cobras en de Thunderbirds praatten. Hun eensluidende, keiharde conclusie: het was geen gebrekkig of ongrammaticaal Engels, maar een variant van het Engels, die niet zomaar willekeurig maar juist systematisch verschilde van de standaardtaal, en dus eigen grammaticale kenmerken had. Niet eens bijzondere, want bijvoorbeeld dubbele ontkenningen of het niet gebruiken van het koppelwerkwoord `zijn' kom je ook tegen in allerlei als `beschaafd' bekend staande talen (het Frans, het Russisch). Over de oorsprong – zitten er elementen uit Afrikaanse talen in? – wordt onder taalkundigen nog steeds gekibbeld, maar niemand van hen betwist dat het om een volwaardig, compleet uitdrukkingsmiddel gaat.

Eind jaren negentig begon in Oakland, Californië, de eerste poging om van deze kennis, en dus ook van het Black English zelf, gebruik te maken in het onderwijs. Want de vele miljarden aan investeringen in `compensatieprogramma's' en wat dies meer zij ten spijt, is er in de tussentijd geen enkele verandering gekomen in de slechte schoolprestaties van de zwarte stadsjeugd. Het lijkt er zelfs op dat een steeds groter deel niet behoorlijk leert lezen, met alle zeer vèrstrekkende economische en sociale gevolgen vandien. Wat nauwelijks veranderd is: de diepgevoelde overtuiging bij het publiek dat Black English gelijkstaat aan verloedering die dus te vuur en te zwaard bestreden moet worden. De gedachte dat dat Ebonics in klaslokalen gebezigd zou worden, leidde in de Amerikaanse media tot ongekend furieuze commentaren, waarin de kwestie en wat ermee samenhing ook nog tamelijk consequent verkeerd werd weergegeven. Daarnaast kwam er geen einde aan de stroom grappen.

Volgens William Labov, inmiddels hoogleraar taalkunde aan de universiteit van Pennsylvania in Philadelphia, zal dat type reacties nooit helemaal overgaan. Hij hield onlangs de driedaagse Nijmegen Lectures, georganiseerd door het Max Planckinstituut voor Psycholinguïstiek, en de afdeling Taal en Spraak van de Nijmeegse universiteit. Na afloop van een hele dag praten verzucht hij: ``Mensen willen erg graag bewijzen dat om dingen te leren alleen de standaardtaal toereikend is. De rest is `onlogisch' en dialecten zijn allemaal slecht.

``Kennelijk is het erg moeilijk om taal te zien als iets dat er gewoon is, en dat niet per se goed of fout is, of vooruit of achteruit gaat. Als je oudere mensen spreekt, waar ter wereld ook, dan zitten er altijd tussen die houden van moderne muziek, die computers prachtig vinden, aan nieuwe sporten meedoen, maar nooit hoor je iemand zeggen: `Weet je, zoals de jeugd van tegenwoordig praat, dat vind ik zó fantastisch! Dat is allemaal veel beter dan toen ik jong was.' Het gevoel dat het met de taal gestaag bergafwaarts gaat, is een universeel verschijnsel. Let maar eens op, in de pers zijn stukken over taal ook altijd óf grappig, óf verontwaardigd. Maar ja, de taalkunde heeft ook geen basis in het onderwijs.''

SOLIDAIR

Toch ziet Labov vooruitgang: ``Er zijn nu veel meer mensen dan vijfentwintig of dertig jaar geleden die anders denken over Black English. Ondanks die felle publieke reacties heeft het schoolbestuur in Oakland het vertrouwen van de gemeenschap niet verloren. De zwarte bevolking is solidair, en dat die het lot in eigen hand neemt, is nieuw. In West-Philadelphia leren wij van de aanpak in Californië. Daar zijn we nu ook hard bezig de kinderen beter te leren lezen. We doen bovendien onderzoek.

``Het is namelijk niet genoeg wanneer je kunt zeggen `ze lezen nu beter'. Alles wat je doet, helpt wel een tijdje. Wat je zou willen, is analyseren welke problemen kinderen echt hebben, van welke regelmatigheden in taal ze gebruik maken, en dan laten zien dat hun prestaties verbeteren doordat je daar gebruik van maakt in het onderwijs. Het raakt aan de kern van taalkundige vragen: hoe gaan we bijvoorbeeld om met uitzonderingen in klankpatronen?

``Het is lastig. Ik heb twee jaar in een speciale commissie voor het voorkomen van leesproblemen bij jonge kinderen gezeten. Elke leesspecialist van het land zat erin, en ik. Maar we weten nog veel te weinig. Er is bijvoorbeeld geen enkel antwoord op de vraag hoe we het alfabet gebruiken om erachter te komen wat er op een bladzijde staat. Uit een taalkundig standpunt is lezen niets anders dan het decoderen van letters, want daarna gebruik je gewoon je taalbegrip. We mobiliseren nu van alles, en ik denk zeker dat er iets te bereiken valt. Maar je kunt nooit puur vanuit de taalkunde werken, je werkt in een gemeenschap en die moet je kennen. Er zijn al genoeg leermethoden van taalkundigen in de hoek gegooid omdat ze zo onrealistisch waren dat leraren en ouders ze niet accepteerden.''

De rol die de taalkunde kan en moet spelen in de wereld. Het zit Labov hoog, want hij komt er telkens op terug. ``Je raakt betrokken bij degenen die je onderzoekt, gaat je verantwoordelijk voelen'', legt hij uit. Met de stadsjeugd uit zijn onderzoeken is het niet beter gegaan, met hem wel. ``Mijn aanzien is alleen maar gestegen, ik verdien nou vijf keer zoveel als toen. Ondertussen leert die jeugd nog steeds niet goed lezen, en krijgt geen baan. De consequentie is dat de industrie die in Amerika het hardste groeit het bouwen van gevangenissen is!''

Labov is de grondlegger van wat in de jaren zestig sociolinguïstiek ging heten, maar dat kun je beter niet tegen hem zeggen. ``Grondlegger klinkt naar iemand die ooit eens iets bedacht heeft, maar nu al lang niet meer meedoet'', bromt hij, inmiddels 71 jaar oud, maar absoluut niet van plan eens rustig aan te gaan doen. De term 'sociolinguïstiek' bevalt hem ook maar matig. ``Die is nuttig als je moet getuigen voor de rechtbank, of voor een senaatscommissie, zoals ik tijdens het Ebonics-debat in Amerika heb gedaan. En je kunt er mensen banen mee bezorgen, maar het betekent veel te veel verschillende dingen. Ik hou me bezig met twee dingen: taalverandering en taalvariatie. En dan kom je onvermijdelijk ook uit bij sociale kwesties.''

Klasse, sekse, leeftijd, geografische ligging en hoe `formeel' de omstandigheden zijn. Dat zijn stuk voor stuk factoren die taalgebruik beïnvloeden, zoals vele malen is vastgesteld. Al is het niet eenvoudig gegevens te verzamelen. Een taalonderzoeker zit namelijk al heel gauw met het probleem dat zijn onderzoeksobjecten hun spraak aanpassen zodra ze weten dat ze onderzocht worden. ``Iedere student ontdekt zelf dat mensen boekentaal gaan praten als je ze een microfoon onder hun neus houdt'', zegt Labov. Een paradox die vraagt om omwegen en ingenieuze onderzoeksmethoden.

DRIE WARENHUIZEN

Labov is er beroemd om. Zo zocht hij in de jaren zestig de eerste bevestiging voor zijn vermoedens over de variatie in uitspraak van de `r' bij New Yorkers door een bezoekje te brengen aan drie warenhuizen. Een chic, een aan de onderkant van de markt, en een ertussenin. In allemaal vroeg hij een jonge en een oude winkelbediende naar een artikel waarvan hij wist dat het op de vierde verdieping (fourth floor) te vinden was. Vervolgens deed hij of hij de bediende niet verstond, zodat die het antwoord nog eens, nu zorgvuldiger uitgesproken, herhaalde. Klasse, leeftijd en spreekstijl meegenomen in één overzichtelijk experiment.

Het belang van experimenten gaat verder. Je kunt immers niet alle taalgebruik onderzoeken door mensen ernaar te vragen. Onlangs voltooide Labov wat hij een dialectatlas van Amerika noemt. Het ging hem daarbij om de uitspraak van klanken, die tot zijn verbazing erg aan het verschuiven is. Verschillende kanten uit, wel te verstaan. Zo sterk dat er echt misverstanden optreden tussen mensen uit verschillende delen van het land, maar ze hebben zelf niet in de gaten hoe dat komt. Labov: ``Het gaat allemaal onbewust. Het wordt niet herkend, en dus is het sociaal ook geen probleem, je wordt er niet op aangekeken. Amerikanen zijn sowieso dialectdoof. Dennis Franz, een van de hoofdrolspelers in de serie NYPD Blue, over de New-Yorkse politie, spreekt het dialect van Chicago, maar niemand die zich ooit afvraagt wat die vent in New York doet.''

Vooral de uitspraak van klinkers verandert. Labov laat een paar sterke staaltjes horen. Iemand die duidelijk black zegt, een ander die het over study heeft, geen twijfel mogelijk, maar als hij even later de hele zin afspeelt dan blijkt uit de context dat er block en steady werd bedoeld. In weer andere voorbeelden verstaat iemand `potten' (pots) in plaats van `huisdieren' (pets) en `kopieerapparaat' (copymachine) waar `koffieautomaat' (coffeemachine) gezegd werd.

De atlas is gemaakt aan de hand van zeshonderd telefonische interviews met inwoners van de stedelijke gebieden. ``Zo konden we zo'n enorm project binnen drie jaar voor elkaar krijgen'', zegt Labov trots. ``We hebben gezocht naar personen van wie de familie al meerdere generaties in dezelfde plaats woonde. Dat kon je vaak aan de hand van de namen nagaan. We lieten ze praten over hun omgeving, en vooral het onderwerp `de binnenstad' ging ze aan het hart, bleek. Daar kwamen ze helemaal van los. Een belangrijk methodologisch aspect van ons werk is een `interesse-theorie' ontwikkelen: wat interesseert iemand nu echt, want daarover praat hij al gauw in zijn gewone, dagelijkse taal.''

STATUS

Ook naar sekse-onderscheid deed en doet Labov onderzoek. Het is al lang bekend, en vaak bevestigd dat vrouwen in hun uitspraak dichter tegen de standaardtaal aan gaan zitten dan mannen. De standaardverklaring daarvoor: mannen halen status uit hun werk, vrouwen moeten het elders vinden. Maar tegelijk heeft Labov ook aanwijzingen dat vrouwen de drijvende kracht achter taalverandering zijn. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak. ``Het gaat om verschillende vrouwen'', verklaart Labov enthousiast. ``De meerderheid van de vrouwen is wel degelijk conservatief, maar veranderingen beginnen bij een bepaald type, zeer zelfstandige vrouwen. Die de wereld naar hun hand zetten, een leidende rol spelen in de gemeenschap en dus met heel veel mensen contact hebben. En ze komen uit de middenklasse.''

Alle talen veranderen, en van alle talen bestaan allerlei varianten. Al zijn halve leven besteedt Labov aan het verzamelen van gegevens daarover. Hij heeft dikke pakken feiten, maar waar ze vandaan komen is hem nog altijd een raadsel. ``Een fundamentele vraag blijft voor mij: hoe rationeel zijn mensen?'', zegt hij. ``Waarom veranderen talen? Want je krijgt er ellende van. Het schopt de communicatie in de war, wat je nu ook ziet gebeuren met die uit elkaar groeiende dialecten. Net zoals we communicatieproblemen tussen de verschillende klassen hebben. Taalgebruik kan zo contraproductief zijn. Ik zie het bijvoorbeeld bij de universiteit waar je van die wagens hebt waar ze eten verkopen. Die mensen willen wat verdienen en hun klanten prettig behandelen, maar ze zeggen tegen de studenten aldoor `schat' en `liefje', en ze zien niet dat de meeste studenten daar een enorme hekel aan hebben. Ik word boos als ik dat soort dingen zie.

``Over de redenen achter taalgebruik kun je altijd wel een mooi verhaal verzinnen, maar er is zo'n diversiteit aan gegevens. Het probleem rechtstreeks aanpakken lukt niet. Daarom hebben we op een gegeven moment de vraag `waarom verandert taal' ook omgezet in `wie verandert taal?'. Misschien dat daar een deel van de antwoorden te vinden is.''