Wenders stelt weer teleur met film over Ry Cooder

Als het ooit nog iets wordt met de Duitse cinema, dan niet dankzij Wim Wenders. Sinds 1987 (Himmel über Berlin) heeft deze coryfee van de Duitse cinema uit de jaren zeventig eigenlijk geen fatsoenlijke film meer het licht doen zien. Wenders documentaire Buena Vista Social Club, op het filmfestival in Berlijn met enig aplomb in première gegaan, brengt in deze treurige situatie helaas geen verandering.

Buena Vista Social Club gaat over het groepje bejaarde Cubaanse muzikanten dat de Amerikaan Ry Cooder een paar geleden bij elkaar bracht voor een reeks wereldwijd zeer goed verkochte platen. Wenders volgt hen tijdens concerten in Amsterdam en New York en wat jamsessions in Havanna.

De film is niet veel meer dan een lang uitgesponnen videoclip van 100 minuten, gemaakt door iemand die niet van muziek houdt: elke keer als je bijvoorbeeld de fascinerende pianist Ruben Gonzales op de handen kunt kijken, snijdt Wenders naar een ander plaatje – meestal het gezicht van zijn vriend Ry Cooder. En de muziek, nogal onbeholpen geregistreerd, moet steeds na enkele seconden wijken voor het voordragen van hoesteksten door de muzikanten. Het enige aardige van de film zijn de beelden van cameraman Robbie Müller in het Amsterdamse Carré.

De Duitse film kon zich dit jaar op de Berlinale op een duidelijke promotie verheugen. Het begon er al mee dat bondskanselier Gerhard Schröder in hoogsteigen persoon het festival kwam openen: jammer alleen dat hij zijn leesbril was vergeten en, in plaats van zijn voorbereide toespraak voor te lezen, dus maar wat brabbelde.

In de loop van de week bleek de Bondsregering met de Duitse film echter toch serieuze bedoelingen te hebben: er komt een breed overleg over de vraag hoe de Duitse filmproductie bevorderd kan worden, bijvoorbeeld door van overheidswege gegarandeerde voorschotten op bioscooprecette – naar Frans voorbeeld. Bioscopen en televisiestations wettelijk te verplichten tot het vertonen van grote aantallen Duitse films, zoals in Frankrijk gebeurt, blijft in Duitse regeringsogen onaanvaardbare betutteling.

Nu is het natuurlijk één ding om je nationale industrie als speerpunt van industriële ontwikkeling en nationaal prestige aan te wijzen, maar je moet ook over talent en de goede films beschikken om aan dit streven inhoud te geven. De Duitse filmwereld, en met name ook de Duitse filmpers, zijn in dit opzicht opvallend positief gestemd. Nachtgestalten van Andreas Dresen bijvoorbeeld – een in Berlijn in competitie vertoonde, weinig originele episodenfilm over een nacht in een grote stad – werd in de Duitse pers onthaald alsof het een absoluut meesterwerk was.

Er worden in Duitsland best aardige films gemaakt, zo was in Berlijn te zien in het programma Neue Deutsche Filme, een vitrine van Duitse films voor buitenlanders. Kurz und schmerzlos van de Turks-Duitse regisseur Fatih Akin, Lola rennt van Tom Tykwer en Fette Welt van Jan Schütte kunnen in de internationale filmwereld best meekomen.

En zelfs als de Duitse cineasten proberen een film naar Hollywood-recept te maken – zoals de keiharde actiefilm Cascadeur van Hardy Martins, de bloederige politiefilm Solo für Klarinette van Nico Hofmann of het sentimentele Bin ich schön van Doris Dörrie – is het nog best aardig. Opvallend is dat veel films geheel of gedeeltelijk buiten Duitsland spelen; een beetje exotica komt de Duitse film kennelijk ten goede.

En nu nog toeschouwers. Dankzij een aantal succcesvolle komedies waren in 1997 Duitse films goed voor achttien procent van de verkochte bioscoopkaartjes. Een nieuw bloeitijdperk van de Duitse cinema leek begonnen. Maar helaas: vorig jaar daalde dit getal tot negen procent.