We moeten loskomen van het kwaad

Bouwondernemer Antonio Presti probeert met kunst mafia-vrije zone's op Sicilië te scheppen. Hij krijgt veel tegenwerking, van bomaanslagen tot autoriteiten die vergunningen weigeren. ,,Ik heb gekozen voor de kunst als mijn geestelijke discipline.''

,,Geld heeft geen waarde voor mij. Ik ben de anti-kapitalist par excellence.'' Antonio Presti praat met een zachte maar indringende stem. Een miljonair met een roeping. Op het zonovergoten balkon van palazzo Biscaro, in de Siciliaanse stad Catania, pakt hij zijn gesprekspartner vaak bij de arm, om zijn woorden kracht bij te zetten. ,,Vaak zie je mensen kiezen voor de macht van het geld'', zegt hij. ,,Dan leven ze in dienst daarvan. Ik heb gekozen voor de kunst als mijn geestelijke discipline, een soort geloof. Mijn geld, al mijn miljoenen, moet ten dienste staan van een idee. Van de schoonheid.''

Zijn bruine ogen gloeien. Geloof me, zeggen ze, geloof met mij dat één mens een verschil kan maken op dit eiland, dat zo vaak gevangen zit in zijn verleden van misdaad en van cynische, corrupte bestuurders. Geloof met mij, dat kunst de wereld in het algemeen en Sicilië in het bijzonder een beetje beter kan maken.

De 42-jarige Presti is bezeten van dat idee. Hij is een Siciliaan pur sang, snel geraakt in zijn trots, geneigd uit te weiden in metafysische beschouwingen. Tegelijkertijd verafschuwt hij de oude Siciliaanse gedragscode zoals die door Tomasi De Lampedusa is beschreven in zijn boek Il gattopardo (De tijgerkat): alles veranderen opdat alles hetzelfde blijft. Voor Presti staat die mentaliteit gelijk aan een morele degeneratie. Sicilië zit vol mensen die het anders willen, die het verleden van zich willen afschudden. Presti wil daarbij helpen. Met kunst als instrument.

Als je hem nerveus heen en weer ziet drentelen op een ontvangst in het statige palazzo Biscaro, kortgeknipt grijzend haar, rommelig gekleed, zou je niet zeggen dat daar een man loopt die volgens eigen zeggen goed is voor zo'n 35 miljoen gulden. Hij was begin twintig en studeerde voor ingenieur toen plotseling zijn vader overleed. Ineens stond hij aan het hoofd van een bouwbedrijf met een miljoenenomzet en een enorm kapitaal aan onroerend goed. Dat redt die jongen niet, dachten de meesten. Hij redde het wel, maar op zijn eigen manier. Hij ging bij de arbeiders op het fabrieksterrein wonen, legde daar een boomgaard en een moestuin aan en ging samen met hen brood bakken. En hij liet de cementmolens ook draaien om kunstwerken te maken.

Zijn eerste inval was de transformatie van een tien kilometer lange vallei bij de kustplaats Santo Stefano, waar de fabriek staat, in een groot openluchtmuseum. Het project werd Fiumara d'arte gedoopt, naar het woord voor een rivier die 's zomers droog ligt maar na de herfst- en winterregens breed uitwaaierend naar de kust stroomt. In oktober 1986 werd het eerste kunstwerk ingewijd, een 18 meter hoge structuur van gewapend beton, gemaakt door de Siciliaanse beeldhouwer Pietro Consagra.

Vergunningen

In de loop der jaren kwam er steeds meer bij. Het rechthoekige raamwerk van het Monument voor een dode dichter van Tano Festas. Het Labirint van Adriana van Italo Lanfredini. De dorre vallei werd een groot park dat duizenden bezoekers trok. Maar Presti kreeg problemen. Dezelfde instanties die meestal een oogje dicht deden als er illegale huizen werden gebouwd, ontdekten nu dat er vergunningen ontbraken, stempels, papieren. Voor ieder officieel document dat Presti liet zien werd er weer een ander gevraagd. ,,De bureaucratie houdt niet van kunst'', schreven de kranten, en er moesten protestdemonstraties worden gehouden om te voorkomen dat de kunstwerken werden afgebroken.

,,Ik heb het voor een deel over mezelf afgeroepen'', zegt Presti nu. Hij presenteerde zijn plannen toen, begin jaren negentig, als een manier om de mafia te lijf te gaan. Hij wilde stukken Sicilië scheppen waar je kan zien dat de mafia daar niet de toon zet. Hij streefde naar harmonie en schoonheid in een rauwe, harde omgeving. ,,Ik heb de winsten van mijn bedrijf bewust niet gebruikt om smeergeld te betalen, maar om Sicilië kunst aan te bieden.''

Tussen de papieren oorlog tegen de bureaucratie door ontwikkelde Presti nieuwe initiatieven. In zijn geboortedorp Pettineo nodigde hij een paar zomers achter elkaar kunstenaars uit om ieder een stuk van een kilometer lang doek te beschilderen. Het ene jaar kwamen er Afrikaanse artiesten, het andere Europese, dan weer een mengeling van alles. De afzonderlijke stukken werden na afloop ingelijst. De dorpsbewoners mochten deze werken hebben, op voorwaarde dat ze hun deur open zouden doen voor wie er naar wilde komen kijken. Zo veranderde een heel dorp in een museum.

Een andere project is het Atelier aan zee: een hotel in het kuststadje Castel de Tusa waar iedere kamer door een andere kunstenaar is ontworpen. De nadruk ligt op kunst en niet op comfort. In de kamer die is gewijd aan Pier Paolo Pasolini is de desolate omgeving bij de Romeinse badplaats Ostia nagemaakt waar hij is vermoord. Fabrizio Plessi gaf een kamer de vorm van een schip, met zes videobeelden van de zee en een venster waarachter de echte zee ligt. De Japanner Hideloshi Nagasawa ontwierp een meditatiekamer met een prachtig terras. Michele Canzoneri zette het bed op een groot vlot en gaf de badkuip uitzicht op zee.

Zestien kamers zijn er nu klaar. Het is nog onzeker of alle veertig kamers door een kunstenaar kunnen worden getransformeerd, zoals de bedoeling was. Een paar jaar geleden is Presti serieus in de problemen gekomen met zijn strijd tegen de mafiose apathie. ,,Ze hebben van alles geprobeerd'', zegt Presti. Er zijn bommen geweest. De politie heeft beslag gelegd op een aantal kunstwerken van Fiumara d'Arte. Lokale bestuurders wilden kunstwerken vernietigen en konden daarvan alleen worden weerhouden na nationale protestacties. Uiteindelijk heeft Presti ook de cementfabriek moeten sluiten.

,,Je kan zeggen dat ze hebben gewonnen'', zegt Presti. ,,Ik ben daar weggegaan.'' Hij heeft nu zijn activiteiten van de kuststrook tussen Palermo en Messina verplaatst naar Catania, de tweede stad van Sicilië, aan de voet van de met sneeuw bedekte vulkaan de Etna. Hier probeert burgemeester Enzo Bianco een culturele wederopleving op gang te brengen. Maar na alle problemen die hij heeft gehad, wil Presti niets meer weten van het idee van `kunst tegen de mafia'.

,,Ik heb grote problemen gehad met de mafia door de keuze die ik eerder heb gemaakt'', vertelt hij. ,,Daarom ben ik ook niet meer anti-mafia. Mafia en anti-mafia zijn familie van elkaar, ze dwingen je op een bepaalde manier te denken. Als anti heb ik verloren. Daarom plaats ik mezelf nu buiten die tweedeling. Ik ben niet meer tegen iets, maar voor iets. Voor de aanbidding van schoonheid. Siciliaan zijn betekent leven in een dubbele wereld, waarin je moet letten op wat wordt gezegd en wat niet wordt gezegd. De politiek en de macht zijn gebaseerd op wat niet wordt gezegd en niet wordt gedaan. Daartegenover zet ik de cultuur. Die heeft zijn eigen kracht, zijn eigen manier van zeggen.''

Kaars

In zijn woorden klinkt Presti af en toe als een mysticus, maar in zijn daden is hij een gelouterd manager die veel in beweging weet te zetten. Eerder deze maand greep hij het driedaagse feest ter ere van Sint Agatha, de patroonheilige van Catania, aan om te proberen deze door misdaad en werkloosheid geplaagde stad een ander perspectief te bieden. Hij liet zich inspireren door de folklore: de grote wassen kaarsen waarmee in witte kielen gehulde inwoners van Catania voor de processie uitlopen als de resten van de heilige op een kar worden rondgetrokken door de stad. Daarom vroeg hij de vermaarde beeldhouwer Pomodoro om een enorme obelisk van was te maken - het kunstwerk zou symbolisch opbranden als teken voor de devotie voor schoonheid, maar moet later dit jaar in stenen vorm herrijzen in de wijk Librino, een van de meest vervallen stukjes Catania. Presti hoopt dat dit een jaarlijkse gewoonte wordt, om via beeldende kunst de inwoners van hopeloos vervallen wijken een lichtpuntje te bieden.

Presti organiseerde ook korte optredens van negen lokale muziekgroepen, een recital van een paar bewerkte aria's van Bellini, en even na middernacht een zeer suggestief `koor met gesloten mond' vanuit de vensters van de prachtig uitgelichte plaatselijke opera, het Teatro Massimo.

De duizenden toeschouwers die langs deze drie manifestaties trokken, namen alles gretig in zich op, ook al was de wind guur en moest je soms lang wachten. Burgemeester Bianco vindt het fantastisch dat iemand uit zijn eigen zak vier ton te voorschijn haalt om zoiets te organiseren. ,,We willen geleidelijk aan in de stad de plaatsen weer bezetten die in handen waren van de mafia'', zegt hij, als hij op de foto is geweest met Presti. ,,Vroeger gold in de omgeving van Teatro Massimo een soort avondklok. Om zeven uur 's avonds verdween een deel van de stad en kwam een ander deel ervoor in de plaats. Nu kan je er om drie uur 's nachts lopen.''

Maar Presti wil het woord mafia niet meer horen. Hij staat toch al onder druk, want met de obelisk van was is het niet goed gegaan: in zijn ijver om ervoor te zorgen dat het aansteken goed zou verlopen, had iemand benzine in het binnenste gemorst. De obelisk van was, die drie dagen langzaam had moeten branden, ging na een uur in vlammen op.

,,Koren op de molen van Santapaolo'', fluistert Presti, verwijzend naar de mafia-familie die in Catania de lakens uitdeelt. En dan, hardop: ,,Ik ben niet voor of tegen, ik ben toegewijd aan de schoonheid.'' Hij denkt al weer aan zijn volgende project: Gela, een van de lelijkste en gewelddadigste steden van Sicilië, via een reeks culturele initiatieven langzaam omvormen in een stad die de bescherming verdient van de Unesco. ,,We moeten uit de macht van het kwaad komen'', zegt hij. ,,Ik wil jongeren duidelijk maken dat denken aan schoonheid veel beter is dan die Siciliaanse dubbele moraal van vroeger.''

Ik ben niet voor of tegen de mafia, ik ben de schoonheid toegewijd