Vrijheid uit achterdocht

Vliegtuigen en stagiaires bestonden nog niet in de tijd van Montesquieu. Ambtenaren vormden nog geen oncontroleerbare macht. Maar de wetten van Montesquieu, de verlichte edelman uit de achttiende eeuw, zouden 250 jaar na dato verplichte stof moeten zijn voor bestuurders, bureaucraten en burgers. Want zonder evenwicht geen vrijheid.

Groot lijkt de afstand tussen de Bijlmerenquête, de recente schandalen rond Bill Clinton en Charles-Louis de Secondat, baron de la Brède et de Montesquieu (1689-1755), beter bekend als Montesquieu.

Wat kan de respectabele président à mortier van het parlement van Bordeaux, die in 1748 De l'esprit des lois publiceerde, te maken hebben met geheimzinnige mannen in witte pakken en een onbekende vliegtuiglading, met sigaren, stropdassen en spermavlekken op een blauwe jurk? Vliegtuigen en stagiaires bestonden nog niet in de achttiende eeuw en ook al schreef Montesquieu in zijn Lettres persanes vrijmoedig over een oosterse harem, van zijn eigen erotische voorkeuren en escapades weten we vrijwel niets.

Toch is het indirect aan hem te danken, dat de kranten maandenlang hebben volgestaan met deze opwindende en raadselachtige zaken. Zonder zijn politieke filosofie waren instituties als een onafhankelijke onderzoeksrechter en een parlementaire enquête misschien ondenkbaar geweest.

Het blijkt soms tot excessen te kunnen leiden, zoals Clinton mocht ondervinden, maar Montesquieu heeft elke vrijheidslievende democraat aan zich verplicht met zijn doctrine van de scheiding der machten, de befaamde trias politica, en het daaraan ten grondslag liggende inzicht dat de macht alleen voor misbruik kan worden behoed, als zij door een andere macht wordt tegengehouden. Macht zonder tegenwicht heeft nu eenmaal de neiging te ontaarden, was zijn overtuiging.

Zelf werd Montesquieu het meest verontrust door een voorbeeld daarvan in eigen land, waar de politieke vrijheid werd bedreigd door het absolutisme dat Richelieu en Louis XIV in de vorige eeuw hadden gevestigd. Tegen het absolutisme keerde hij zich overigens niet als democraat. Dat zou pas nadien worden gedaan door Jean-Jacques Rousseau, die in zijn Du contrat social (1762) alleen zo onverstandig was het koninklijk absolutisme in te ruilen voor een even absolute democratie.

De gevolgen bleken tijdens de Franse Revolutie, toen de jakobijnse voorman Robespierre met een beroep op de `burger van Genève' het revolutionaire bewind typeerde als een `despotie van de vrijheid tegen de tirannie'. Had hij beter naar Montesquieu geluisterd, dan zouden er ongetwijfeld heel wat minder hoofden onder de guillotine zijn gevallen. Maar de meeste revolutionairen konden weinig waardering opbrengen voor Montesquieu's gematigde scepsis. In De l'esprit des lois, vond men, had hij zich te gemakkelijk bij de status quo neergelegd en te weinig laten zien hoe de wereld moest worden verbeterd.

Een politieke revolutionair was Montesquieu, die honderd jaar vóór de bestorming van de Bastille in het dorpje La Brède nabij Bordeaux werd geboren, inderdaad niet. Van een edelman, in het bezit van een kasteel en een geërfde functie bij het parlement, viel dat toen ook moeilijk te verwachten. Als lid van de Académie Française en graag geziene gast in tal van Parijse salons (wanneer hij zich tenminste niet op zijn landerijen met de wijnbouw bezighield) behoorde hij tot de elite van het Ancien Régime. In andere opzichten daarentegen zijn de ideeën die hij verkondigde wel degelijk revolutionair te noemen.

Op speelse wijze werd dat al meteen duidelijk in de Lettres persanes, Montesquieu's eerste boek, dat in 1721 anoniem verscheen te Amsterdam. Bij monde van twee Perzen die door Europa reizen en daarover in brieven berichten, drijft Montesquieu de spot met koning en paus. Beiden zijn `tovenaars', die hun onderdanen en gelovigen kunnen wijsmaken wat zij maar willen. Dat ook een stukje papier geld kan zijn bijvoorbeeld of dat drie gelijk is aan een, en dat brood geen brood is en wijn geen wijn.

Door zijn kritiek door twee vreemdelingen te laten verwoorden, blijft de auteur zelf buiten schot. Maar de distantie brengt wel iets anders aan het licht: iedereen, de Fransen evengoed als de Perzen, wordt in zijn visie beperkt door zijn eigen cultuur. Want hoe redelijk en verlicht de beide reizigers ook mogen oordelen over de Europese toestanden, zodra in hun harem thuis de hel losbreekt, reageren zij prompt als oriëntaalse despoten.

Het cultuurrelativisme dat uit de Lettres persanes spreekt, was op zichzelf niets nieuws. Al in de zestiende eeuw is het terug te vinden bij Montesquieu's streekgenoot Montaigne, voor wie de beschaving der `kannibalen' niet per se minder was dan die van hun Europese veroveraars. Bij Montaigne leidt dit inzicht tot een stoïcijns aandoende berusting. Zo niet bij Montesquieu, die in zijn Pensées bekent nooit een `verdriet' te hebben gekend dat niet door een uurtje lezen kon worden verdreven. Voor hem was studie dé remedie tegen ieder ongeluk. Hij geloofde hartstochtelijk in de deugd van de kennis en de kracht van de rede, `het meest volmaakte, meest nobele en meest voortreffelijke van onze zintuigen'.

Dit geloof stempelt hem tot een man van de Verlichting. Hij was vóór alles een nieuwsgierige geest, die thuis experimenteerde met planten en dieren en daarvan verslag uitbracht aan de Académie van Bordeaux, die bevriend was met tal van philosophes en op zijn oude dag meewerkte aan de Encyclopédie, en die in 1731, tijdens een verblijf in Engeland, de zegeningen ontdekte van het Britse parlementaire systeem dat zo drastisch verschilde van het Franse, waarin de parlementen voornamelijk een juridische functie vervulden. De verhandeling die hij hierover schreef, zou later in De l'esprit des lois terechtkomen, en wel in het beroemde elfde `boek' waarin de doctrine van de scheiding der machten wordt uiteengezet.

Van De l'esprit des lois is nu een – uitstekend leesbare – vertaling verschenen. Een selectie uiteraard, die alleen de hoofdlijnen doet uitkomen, want wie alle bijna achthonderd bladzijden zou lezen, verdeeld over zes `delen' en eenendertig `boeken', loopt groot gevaar te verdrinken in de talloze uitweidingen, voorbeelden en anekdoten. Voltaire noemde Montesquieu's magnum opus een `labyrint zonder draad'. Niet helemaal ten onrechte, maar al die duizelingwekkende details, ontleend aan een alleen maar barok te noemen eruditie, hebben wèl een functie; ze vormen het empirische materiaal waaruit Montesquieu de `geest der wetten' heeft gedistilleerd.

Anders dan Rousseau's Du Contrat social is De l'esprit des lois geen abstracte verhandeling. Montesquieu onderzoekt de politiek zoals zij daadwerkelijk, in al haar variaties, bestond en functioneerde. Bij hem is de politieke filosofie voor het eerst wetenschap geworden, ook al voldoet zijn empirische bewijsvoering al lang niet meer aan de moderne wetenschappelijke eisen.

Wetten, zo lezen we in het eerste hoofdstuk van het eerste boek, zijn `de betrekkingen die noodzakelijk voortvloeien uit de aard der dingen'. Alles heeft zijn wetten, inclusief God zelf. Het noodlot noch de Voorzienigheid regeert de geschiedenis, maar wie goed kijkt kan onder de verwarring der historische verschijnselen een rationele wetmatigheid bespeuren. Aan de wereld ligt volgens Montesquieu een `fundamentele rede' ten grondslag; een overtuiging die hij ook al in zijn Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence (1734) had verwoord, toen hij schreef dat een staat nooit door één veldslag te gronde gaat, tenzij er `een algemene oorzaak (is) die wilde dat de staat door één veldslag te gronde zou gaan'.

Montesquieu's opvatting van de wet breekt met de destijds gangbare definities, waarin wetten voornamelijk als normen of wilsbeschikkingen werden geïnterpreteerd. Zijn wetten doen eerder denken aan de bewegingswetten van de nieuwe natuurwetenschap; ze beschrijven de verschijnselen zonder ze iets voor te schrijven. Wat niet wegneemt dat het voor elke wetgever onverstandig zou zijn er geen rekening mee te houden, net zoals het onverstandig is om Newtons wet van de zwaartekracht te negeren en de bovenste verdieping van een flatgebouw te verlaten door uit het raam te springen in plaats van de lift te nemen.

De wetmatigheid was universeel, de concrete vorm die de politieke wetten aannamen overal verschillend. Op twee manieren probeert Montesquieu orde aan te brengen in de chaos. In de eerste plaats door de diverse staatsvormen onder te verdelen in drie typen: de republiek (opgesplitst in democratie en aristocratie), de monarchie en de despotie, elk voorzien van een eigen `natuur' en een eigen `beginsel'. In de tweede plaats door elke beschaving een eigen `esprit général' toe te kennen, gevormd door `fysieke' oorzaken als klimaat, omvang van grondgebied en bodemgesteldheid en door `morele' oorzaken als religie, geschiedenis, zeden en gewoonten. Door deze `esprit général' werd bepaald welke staatsvorm het beste bij een samenleving paste.

Opnieuw steekt hier het cultuurrelativisme de kop op. Want op grond van de `esprit général' zou je kunnen concluderen dat elke samenleving de staatsvorm heeft die zij krachtens haar beschaving moet hebben. Van de wetgever zegt Montesquieu dan ook dat hij zich dient `te voegen naar de geest van de natie' en in het voorwoord hebben we dan al kunnen vernemen dat hij zijn principes niet aan zijn `vooroordelen' heeft ontleend: `Ik schrijf niet om kritiek te leveren op de instellingen van welk land dan ook'.

Deze intentieverklaring tekent de wetenschappelijke inzet van De l'esprit des lois. Maar het is zeer de vraag of de schrijver erin geslaagd is volledig aan zijn intenties te beantwoorden. Meer dan eens krijgt de politieke analyticus of socioloog avant la lettre concurrentie van de verlichte moralist. Zo wordt de despotie, als enige staatsvorm, `van nature verdorven' genoemd, en ook de gerechtelijke foltering (iets waarmee Montesquieu als président à mortier persoonlijk te maken had gehad) en de slavernij kunnen niet op een rechtvaardiging rekenen. Weliswaar doet hij ergens een poging deze beide praktijken alsnog een rechtmatige plaats te geven, maar, zo onderbreekt hij zichzelf, `ik hoor de stem van de natuur die mij tegenspreekt'.

Een natuur die protesteert, kan niet anders dan een norm belichamen. Voor Montesquieu is dat de rechtvaardigheid, waarvan hij al in zijn Lettres persanes had geschreven dat zij `eeuwig' was en onafhankelijk van de `menselijke conventies'. Hier spreekt de deïst Montesquieu, vol vertrouwen in de goddelijke orde van het universum. Tegelijkertijd verraadt het geloof in de rechtvaardigheid een rest van het klassieke natuurrechtdenken, die eigenlijk niet goed te rijmen valt met zijn wetenschappelijke aanpak. In zijn politieke filosofie zit een spanning tussen descriptie en prescriptie, tussen analyse en moraal, die nergens bevredigend wordt opgelost, tenzij men het geloof in Gods goedheid zo zou willen opvatten. Maar vreemd genoeg maakt dat Montesquieu alleen maar actueler, want met dezelfde spanning worstelen we in het geseculariseerde heden nog steeds.

Een meer pragmatisch antwoord vinden we in Montesquieu's pleidooi voor de `gematigheid', volgens hem de enige garantie voor de politieke vrijheid. De gematigdheid die hij bepleit snijdt dwars door de driedeling der staatsvormen heen. Tegenwoordig zijn we geneigd gematigdheid en vrijheid vooral met de democratie te verbinden. Maar zo dacht Montesquieu er niet over. De democratie, evenals de republikeinse staatsvorm in het algemeen, achtte hij uitsluitend geschikt voor kleine gebieden. Bij een groot grondgebied paste de despotie, die vrijheid noch gematigdheid kende. Bij een middelgroot gebied hoorde de monarchie, en het is deze staatsvorm waarop Montesquieu zijn hoop voor de vrijheid lijkt te vestigen.

Het is niet zo dat een republiek nooit een gematigd regime zou kunnen zijn, maar zijn ervaring – in Venetië en Holland – met de reëel bestaande republieken van zijn tijd had hem er geen hoge dunk van gegeven. In Venetië bleek de vrijheid erop neer te komen dat men straffeloos met hoeren kon verkeren en zelfs samenwonen; in Holland, waar de alomtegenwoordige geldzucht hem tegen de borst stuitte, bleek de vrijheid vooral een alibi te zijn voor het `canaille' om zich publiekelijk te misdragen.

Alleen de Britse monarchie beantwoordde, althans wat de wetgeving betreft (over het karakter van de Engelsman was hij heel wat minder te spreken), volledig aan zijn ideaal. Daar was de vrijheid van de burgers gegarandeerd, doordat wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht zich elk in verschillende handen bevonden. Zo hielden deze drie machten elkaar, tot voordeel van de burger, in balans. Achteraf heeft men wel gezegd dat Montesquieu van de realiteit van de Britse politiek niet veel had begrepen. De scheiding der machten zou meer een verlangen van de oppositie zijn geweest dan een realiteit, maar dat doet niets af aan de waarde van de doctrine die er in De l'esprit des lois uit wordt afgeleid.

Zonder gematigdheid vaart niemand wel, zo zou je de kern van Montesquieu's gedachten kunnen samenvatten. Alles heeft maat en beperking nodig – zelfs de deugd, vergeet Montesquieu niet te vermelden. Maar omdat de mens – vooral wanneer hij met macht wordt bekleed – nooit helemaal te vertrouwen is, kan deze beperking maar beter in de grondwet worden vastgelegd. `Om machtsmisbruik te voorkomen, dienen de zaken zodanig te zijn geregeld dat de macht de macht tot staan brengt'. Montesquieu's pragmatisme werd, in weerwil van zijn vertrouwen in Gods goedheid, gevoed door een even gezonde als realistische achterdocht.

In letterlijke vorm bestond de scheiding der machten alleen in Engeland, waar de vrijheid volgens Montesquieu het expliciete doel was van de constitutie. Vanwege het verschil in `esprit général' zou het geen zin hebben deze constitutie over te planten naar het buitenland en dat een constitutie ook uit het niets kon worden gecreëerd, zoals de Amerikaanse en Franse revolutionairen later in de achttiende eeuw zouden bewijzen, was een gedachte die geen moment bij hem opkwam. Desondanks was hij ervan overtuigd dat zijn leer van het machtsevenwicht ook elders goede diensten kon bewijzen.

In Frankrijk bijvoorbeeld zag hij in de adel, de kerk en de parlementen nuttige `pouvoirs intermédiaires', die de absoluut geworden koningsmacht in toom konden houden. Dat betekent niet dat hij zijn theorie enkel had ontworpen om de bedreigde privileges van zijn eigen stand te verdedigen, want van de kerk had Montesquieu (De l'esprit des lois belandde zelfs op de Index) met zijn religieuze tolerantie en zijn `politieke' benadering van de godsdienst weinig goeds te verwachten.

Eerder is het een aanduiding dat hij serieus zijn best deed in de bestaande orde naar mogelijkheden te zoeken tot behoud en versterking van de vrijheid. Dat pragmatisme en eigenbelang hierbij ten dele samenvielen, was hooguit meegenomen.

Twintig jaar had Montesquieu naar eigen zeggen aan zijn boek gewerkt. Toen het in 1748 eindelijk werd gepubliceerd, schreef hij in zijn Pensées dat het waarschijnlijk `meer instemming zou vinden dan gelezen worden', ondanks de elegante stijl met zijn vele prikkelende paradoxen. Die instemming blijkt nu vooral uit de talloze democratische constituties, waarin de scheiding der machten is vastgelegd, te beginnen met de Amerikaanse grondwet uit 1787. Voor de geestelijke vaders van de nieuwe republiek (die voor het eerst liet zien dat deze staatsvorm ook op een groot grondgebied levensvatbaar was) gold Montesquieu als een onfeilbaar `orakel', zoals James Madison opmerkte in The Federalist.

Uiteraard kon Montesquieu niet weten dat het Amerikaanse voorbeeld ook op het Europese continent navolging zou vinden, en of hij er een revolutie als de Franse voor over zou hebben gehad, is meer dan twijfelachtig. Toch omschreef hij al in zijn Réflexions sur la monarchie universelle (1734) de Europese staten als `leden van een grote republiek', door de handel onderling met elkaar verbonden. Het is daarom nog niet zo gek dat Louis-Sébastien Mercier hem in zijn toneelstuk Montesquieu à Marseille (1784) de `Verenigde Staten van Europa' laat voorspellen.

Iets daarvan is tegenwoordig in de Europese Unie gerealiseerd, niet alleen via de handel maar ook via een bureaucratisch apparaat, dat onwillekeurig Montesquieu's koppeling van groot grondgebied en despotie in herinnering roept. De gevaren van een bureaucratie voor de vrijheid worden door Montesquieu niet behandeld. Met zijn overtuiging dat elke macht een tegenwicht behoeft, heeft hij echter al wel aangegeven in welke richting de remedie moet worden gezocht.

Dus ook als men deze vertaling niet benut om het boek te lezen, instemming verdient de boodschap van De l'esprit des lois nog altijd.

Charles de Montesquieu: Over de geest der wetten (een selectie). Vertaald uit het Frans en geannoteerd door Jeanne Holierhoek, met een inleiding van Erik Snel. Boom, 148 blz. ƒ34,50