Schimmige schilder

Voor het uitgeven van een omvangrijke monografie over een kunstenaar kunnen twee redenen worden aangevoerd. Of de desbetreffende kunstenaar heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten, of hij heeft een interessant leven geleid.Frederik Marinus Kruseman (1816-1882) voldoet aan geen van beide criteria. Deze telg van een omvangrijke kunstenaarsfamilie was een brave trendvolger in een genre dat in Nederland toch al niet uitblonk in originaliteit: de romantische landschapsschilderkunst. Het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit gemoedelijke wintergezichten met schaatsers. Zijn werk valt te herkennen aan de grillige, bijna koraalachtige boomtakken die zich steevast tegen een blauwroze lucht aftekenen.

De schaarse gegevens die over het leven van Kruseman bekend zijn, laten zich in een paar zinnen samenvatten. Hij kreeg zijn eerste onderricht in de schilderkunst in zijn geboorteplaats Haarlem. Vandaar trok hij in 1835 naar Hilversum, waar hij dieren leerde schilderen bij Jan van Ravenswaaij. Om zijn opleiding te vervolmaken bracht hij nog enige tijd in Kleef door bij de beroemde B.C. Koekkoek. Kort daarop zou Kruseman zich in Brussel vestigen, waar destijds een levendig artistiek klimaat heerste. Hij zou er het grootste deel van zijn leven doorbrengen alvorens in 1882 aan de gevolgen van een hersenbloeding te overlijden. Die hersenbloeding is nog het meest persoonlijke detail dat de lezer over Kruseman te weten komt. Brieven van zijn hand zijn niet bewaard. Geen enkele opvatting of uitspraak kan aan hem worden toegeschreven. Geen schilderij, tekening of foto met zijn portret is bewaard gebleven. Zelfs de plaats waar hij begraven ligt is onbekend.

Collega-schilder Willem Roelofs vermeldde – kort na zijn aankomst in Brussel – terloops in een brief aan een vriend: `Kruseman zie ik weinig, hij is veel ziek (...) zijn werk beviel mij niets.' Roelofs rekent Kruseman vanwege het weelderige groen in zijn zomerlandschappen tot: `de sterke liefhebbers van spinage (= spinazie)'. Andere schilderende tijdgenoten lijken Kruseman evenmin goed gekend te hebben. Veelzeggend is dat zijn schilderijen tijdens zijn leven al aan andere telgen van de Kruseman-familie werden toegeschreven.

De auteurs compenseren het gebrek aan persoonlijke details door de historische achtergronden goed te schetsen. Ze citeren Charles Baudelaire om een beeld te schetsen van het contemporaine Brussel en constateren dat Kruseman zich de lessen van B.C. Koekkoek nauwgezet heeft ingeprent. Die instrueerde voor het schilderen van ijsgezichten: `Om schaatssporen in de sneeuw te krijgen brenge men eerst wit op, en men krasse met het heft van het penseel in de verf die nog nat is.' Dat Kruseman volgens hetzelfde procedé werkte, is goed te zien op de (groot afgedrukte) platen in het boek. De schilder zelf blijft een schim. De lezer moet het stellen met reeksen Brusselse adressen en opsommingen van de titels van schilderijen die hij naar tentoonstellingen zond.

Kruseman is zijn hele leven in de trant van B.C.Koekkoek en Andreas Schelfhout blijven schilderen zonder ooit hun niveau te evenaren. De vele kleurenillustraties tonen variaties op een beperkte thematiek. Na een paar besneeuwde wintergezichten wilde Kruseman zich nog wel eens wagen aan een zomerlandschapje. Daarnaast zijn nog een paar stillevens van zijn hand bekend. Eén daarvan vormt een aangename verrassing. In een stilleven met dode roodborst en eikenbladeren uit 1854 demonstreert Kruseman een technisch vakmanschap dat zijn landschappen verre overtreft.

Deze mooi verzorgde monografie maakt deel uit van een reeks waarin eerder Charles Leickert en Henriëtte Ronner-Knip aan bod kwamen. De uitgever zou er bij het voortzetten van de serie goed aan doen kunstenaars te kiezen wier leven en/of werk wat meer houvast biedt.

Marjan A.C.van Heteren en Jan M.M. de Meere: Frederik Marinus Kruseman (1816–1882). Painter of Pleasing Landscapes. Scriptum Art publishers, 214 blz. ƒ275,–