Meer gevoel dan ratio

Men komt nogal eens de mening tegen dat de Britse politiek weloverwogen is, pragmatisch, wars van grootse ideeën en van grote woorden en gericht op een goed beleid. De boeken van Alan Clark, Philip Gould en Hugo Young laten een andere indruk achter.

Alan Clark is historicus en politicus. Hij schreef omstreden boeken over oorlogsgeschiedenis en bekleedde ministersposten onder Margaret Thatcher. Zijn politieke dagboeken hebben door hun indiscreties veel stof doen opwaaien. Zijn nieuwste boek behandelt de periode van 1922 tot 1997 waarin de Tories de Britse politiek goeddeels hebben gedomineerd. Aan de hand van twee normen onderwerpt Clark de verhouding van zijn partij tot de Britse staat aan een kritisch onderzoek: wat heeft de partij bijgedragen aan de versterking van Groot-Brittannië en wat het welzijn van al zijn bewoners?

Al in het voorwoord verklapt hij zijn conclusie. De stilzwijgende gedachte van vrijwel alle Tories is geweest dat met het voortduren van hun macht het landsbelang het beste werd gediend, ongeacht de offers die daarbij moesten worden gebracht aan de principes of aan het beleid. Naar aanleiding van de koningskwestie in 1936 merkt hij zelfs op dat elke schending van de eer of de integriteit gerechtvaardigd werd met een verwijzing naar het partijbelang. Impliciet rekent hij daarmee af met de these van het landsbelang. Het ging om de macht van de partij en om de macht van bepaalde groepen en personen binnen de partij. Wat met die macht werd gedaan, was van ondergeschikte betekenis.

Clark gaat selectief te werk zonder duidelijk te maken waarom hij sommige onderwerpen uitvoerig en andere niet of nauwelijks onder de loep neemt. In de eerste twee delen komt het beleid nog vrij uitvoerig aan de orde, bijvoorbeeld de problemen rond de gouden standaard, de algemene staking van 1926, de troonsafstand van Edward VIII, de appeasement en de problemen van het Empire. Maar in het derde deel richt zijn humeurige blik zich vooral op de strijd binnen de partij. De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen (EG) in 1973 wordt afgedaan met een sneer tegen Edward Heath die, afgezien van zijn wens het land Europa binnen te voeren, geen enkel idee zou hebben gehad van wat hij wenste te doen.

Het verhaal van Clark bevat naast een opsomming van hele en halve mislukkingen een beschrijving van de vaak met verdachtmakingen en woordbreuk gevoerde strijd om de macht in de partij. De lezer moet zich door heel wat pogingen om elkaar beentje te lichten heenwerken. De verwijzing naar bronnen is schaars, waardoor de betrouwbaarheid moeilijk valt te controleren. Vaak pretendeert Clark te weten wat in de hersens van zijn collega's is omgegaan zonder dat duidelijk wordt hoe hij deze kennis heeft verkregen. Het betoog is bovendien zo doorspekt met venijnige opmerkingen dat het eerder op een schotschrift dan op een serieuze historische analyse lijkt.

Instincten

Naarmate men in het boek vordert dringt de vraag zich steeds sterker op waarom deze lichtelijk xenofobe nationalist - Amerika en Europa kunnen in zijn ogen weinig goeds doen - eigenlijk zo trots is op zijn land. Misschien moet het antwoord op die vraag gezocht worden in zijn waardering voor de mening van het gewone Britse volk. Hij verdedigt bijvoorbeeld het verdrag van München met de opmerking dat de massa van het volk opgelucht was omdat er een volstrekt onnodige en zinloze oorlog mee voorkomen werd. Opvallend is dat Clark de concessies aan Hitler als verstandig, maar die aan De Gaulle en de EG als vernederend beschouwt. Het boek geeft uiteindelijk meer inzicht in de mentaliteit van Clark zelf dan in de verhouding van de Tories tot de Britse staat.

Zoals de grimmige toon van het boek van Clark wel te maken zal hebben met de verkiezingsnederlaag van zijn partij in 1997, zo hangt de opgetogen toon van het boek van Philip Could ongetwijfeld samen met de overwinning van Labour. Gould is een pr-man die door zijn adviezen aanzienlijk bijgedragen meent te hebben aan die overwinning. Hij beschouwt de modernisering van Labour, ronkend een revolutie genoemd, als nog niet voltooid. Hoewel hij geen geringe dunk heeft van zichzelf, gunt hij toch ook een man als Peter Mandelson, wiens politieke loopbaan onlangs flinke schade heeft opgelopen, een groot deel van de eer.

Gould is in 1950 geboren in een gezin van onderwijzers. Zijn moeder was van Nederlandse afkomst. Haar ouders, artistieke communisten die op een woonboot in Amsterdam hebben gewoond, zijn voor de oorlog naar Engeland geëmigreerd. Voor zijn ideologische vorming acht hij de lectuur van de filosofen Friedrich Hegel en Michael Oakshott van belang. Hij noemt ze een goede mix, want de een zag het leven als de ontplooiing van grootse ideeën en de ander als een strijd om staande te blijven in een wereld zonder betekenis. In de politiek heeft men volgens hem beide instincten nodig. Na deze vaststelling verdwijnen de ideeën naar de achtergrond. Van een grote intellectuele diepgang behoeft men hem niet te verdenken.

Al vroeg in zijn loopbaan had Gould er zijn zinnen op gezet de Labour Party te hervormen. De these van zijn boek is eenvoudig: de partij stond het de Conservatieven toe gedurende zeventig van de honderd jaren te regeren omdat zij zich niet wist te moderniseren. Zij vergat de mensen waarvoor zij was geschapen: gewone mensen zoals hijzelf met hun droom om vooruit te komen in de wereld. Vooral de verkiezingsnederlaag van 1983 moet voor hem traumatisch zijn geweest. Labour had immers politiek de oorlog verklaard aan de waarden en de instincten van de overgrote meerderheid van fatsoenlijke, hardwerkende kiezers door belastingverhoging, de onmiddellijke terugtrekking uit de EEG, eenzijdige ontwapening en een vergaande controle van de economie te propageren.

Dit thema keert voortdurend terug. In zijn boek is de beschrijving van een aantal verkiezingscampagnes verweven met zijn persoonlijke geschiedenis. Gould pocht over zijn rol in de verkiezingscampagne van Bill Clinton, maar is ook vol zelfbeklag. Vaak is bij uitgeput en gedeprimeerd, maar zoals het een flinke jongen betaamt zet hij zich er telkens manmoedig overheen. Het relaas erover vormt, door de vaak wel zeer onbenullige details, geen aangename of inspirerende lectuur. Raadselachtig blijft het daarom hoe hij en de zijnen de meerderheid van de Britten hebben kunnen bezielen om op Labour te stemmen. Als dit de ruggegraat van New Labour vormt en de intellectuele bagage van 'the third way', ziet het er vrij troosteloos uit.

Onzekerheid

Het boek van de journalist Hugo Young, schrijver van een bekende biografie van Thatcher, is van een geheel ander kaliber. Het is een knappe analyse van de Britse verhouding tot Europa sedert de Tweede Wereldoorlog. Young heeft zich gebaseerd op een omvangrijke literatuur en op talrijke interviews met betrokkenen. De titel, een woordspeling op een citaat van Shakespeare, duidt op de verwikkelingen die Groot- Brittannië tot een terughoudende lidstaat van de Europese Unie hebben gemaakt.

Young verstaat onder plot een vervlechting van drie rode draden. Ten eerste de mythe van het gezegende land dat zich ver verheven voelt boven de rest van Europa. Ten tweede de gekwelde onzekerheid der politici die niet wisten hoe te kiezen tussen het Gemenebest, de 'special relationship' met Amerika of een band met Europa. En ten derde de veronderstelde samenzwering die het land arglistig in de armen van Europa heeft gedreven. Het is het verhaal, schrijft hij, van vijftig jaren waarin Groot-Brittannië worstelde om het grootse verleden dat het niet kon vergeten te verzoenen met de toekomst die het niet kon vermijden.

Young heeft zijn betoog chronologisch opgebouwd rondom de personen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij alle verwikkelingen. Hij begint bij Winston Churchill en komt via onder anderen Ernest Bevin, Harold Macmillan, Edward Heath, Margaret Thatcher en John Major uiteindelijk bij Tony Blair terecht.

Hij plaatst deze figuren in hun biografische, institutionele (het Foreign Office) en partijpolitieke context en besteedt ook aandacht aan de publieke opinie. De meningen en de eventuele pressie uit het bedrijfsleven krijgen weinig of geen aandacht.

Churchill zette volgens hem de toon voor het gehele Britse debat over Europa met zijn bekende uitspraak: 'We have our own dream and our own task. We are with Europe but not of it. We are linked but not comprised.' Hieruit vloeide de ambivalentie voort die ten grondslag ligt aan de merkwaardige Britse houding ten opzichte van de dynamiek der Europese integratie. De meeste Britse politici onderschatten de voortgang van de integratie en verkeken zich voortdurend op de richting ervan. Pas laat drong het door dat de integratie afstand zou betekenen van soevereiniteit. Dit gebrek aan inzicht maakte de Britse politiek machteloos. Meestal begreep men pas na enige tijd dat het wel degelijk iets kon worden, al wist men niet wat en bleef men het verkeerd vinden. Dan was het echter te laat om de ontwikkeling nog te sturen.

Behalve de onrealistische en zwalkende politiek ten opzichte van Europa stelt Young ook de funeste uitwerking van het Europese probleem op de Britse politiek aan de kaak. Als een oorzaak van de weinig consistente houding van veel politici in dit opzicht wijst hij erop dat het probleem van Europa door henzelf als ondergeschikt en door de publieke opinie als weinig boeiend werd gezien. Toch werkte het als een splijtzwam binnen de partijen die het voeren van een consequent beleid ook op andere terreinen vaak onmogelijk heeft gemaakt. En de loopbaan van menig politicus, zoals met name die van Thatcher, is stukgelopen op het probleem van Europa.

Hoewel Young geen hoge dunk heeft van het politieke bedrijf, maakt hij wel onderscheid tussen min of meer redelijke, consequente en vooruitziende politici enerzijds en irrationele, zwalkende en kortzichtige politici anderzijds. Ook in dit opzicht is zijn boek niet alleen analytisch, maar vooral ook polemisch. Niet geheel ten onrechte is het al eens een wat omvangrijk uitgevallen pamflet genoemd. Impliciet pleit het voor een sterke Britse vervlechting met Europa door de tegenstanders ervan stuk voor stuk af te branden.

Verward

Tot de figuren die hij vrij gunstig beoordeelt behoren Edward Heath, Roy Jenkins en Tony Blair, en vooral de diplomaat John Robinson. Hij sluit daarbij nauw aan bij een ongepubliceerd officieel geschrift van het Foreign Office waarin de onderhandelingen uit 1971 en 1972 over de toetreding van Groot-Brittannië tot de EG zijn beschreven. Robinson, een gewiekste diplomaat, heeft als wij Young en zijn bron mogen geloven, op de achtergrond een bijzonder belangrijke rol gespeeld. Hij was diep overtuigd van de noodzaak van de Britse toetreding en schrok niet terug voor conspiratieve methoden.

Tot de slachtoffers van Youngs polemiek behoren Ernest Bevin, Hugh Gaitskell, Margaret Thatcher, William Cash en John Major. De instinctmatige afkeer van Thatcher voor de Duitsers en hun kanselier Helmut Kohl, die zoveel heeft bijgedragen tot haar val, geeft hem bijtende passages in de pen. Als hij John Major behandelt lijkt hij op een bokser die zijn willoze slachtoffer met de ene opdoffer na de andere in de touwen jaagt.

Hoe verschillend de drie hier besproken boeken ook zijn, zij geven inzicht in de huidige Britse politiek en in de manier waarop de Britten zelf daarover schrijven. Geen van beide aspecten stemmen tot grote tevredenheid. De Britse politiek komt eruit naar voren als verward, eerder gevoelsmatig dan rationeel, vaak hol, kortzichtig en geobsedeerd door macht. De boeken van Clark en Gould zijn zo persoonlijk en zelfingenomen dat zij meer vertellen over de schrijvers dan over de Britse politiek. Het boek van Young is ook sterk persoonlijk gekleurd, maar hij is subtiel en fair genoeg om de dilemma's waarvoor Groot- Brittannië ten opzichte van Europa heeft gestaan en nog staat, tot hun recht te laten komen.

Alan Clark: The Tories. Conservatives and the Nation State. Weidenfeld and Nicholson, 493 blz. ƒ79,60 (geb.)

Philip Gould: The Unfinished Revolution. How the Modernizers saved the Labour Party. Litte, Brown and Co. 434 blz. ƒ66,10 (geb.); in april verschijnt de paperback-editie, ƒ31,75

Hugo Young: This blessed plot. Britain and Europe from Churchill to Blair. Macmillan, 558 blz. ƒ72,80 (geb.)