`Luisteren en kijken - verder heb ik niets gedaan'

Commandant F.Maurer van de luchtvaartpolitie bemoeide zich op 4 oktober 1992 helemaal nergens mee. De enquêtecommissie betitelde dat vanmorgen als ,,een vreemde situatie''.

,,Ik ben in de meldkamer gaan zitten en heb me nergens mee bemoeid. Luisteren en kijken, verder heb ik niks gedaan''. Aldus beschreef F.Maurer, gepensioneerd commandant van de dienst luchtvaart van de rijkspolitie vanmorgen voor de parlementaire enquêtecommissie die de Bijlmerramp onderzoekt, zijn bezigheden op de avond van 4 oktober 1992. ,,Een vreemde situatie'', vond commissielid Singh Varma.

Maurer vertelde de commissie dat hij enkele weken voor het ongeval door zijn hoogste baas ,,terzijde was gezet''. Dat hing samen met een grote reorganisatie bij zijn dienst, waardoor een deel van het personeel bij de Koninklijke Marechaussee terecht zou komen en een ander deel bij het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Maurer moest zich even niet bemoeien met de dienst, zo was hem te verstaan gegeven. ,,Ik heb dat ervaren als een opdracht.''

Zo kwam het dat de commandant van de luchtvaartpolitie op de avond van de ramp ,,geen inhoudelijke contacten had met wie dan ook''. Zijn personeel stond eveneens onder druk, er waren grote spanningen. Op de vraag of dat de kwaliteit van het werk heeft beïnvloed, zei hij: ,,De dienst had veel ingeleverd aan kwaliteit, maar de mensen waren berekend voor hun taak. Ongetwijfeld zal het werk op een aantal momenten beneden niveau zijn gezakt.''

Maurer heeft diverse grote operaties meegemaakt: aanslagen, gijzelingen en ongevallen. Hij werkte al sinds de jaren zeventig op de luchthaven. ,,Ik ben opgegroeid met het idee dat El Al maximaal bedreigd is en dat wij er alles aan moesten doen om herhaling te voorkomen.'' Dat leidde tot extra controles bij passagiersvluchten, het meerijden met aankomende en vertrekkende toestellen. ,,Het aantal maatregelen werd groter en groter'', aldus Maurer die daarmee aangaf dat de Israelische luchtvaartmaatschappij anders dan de El Al-directie het zelf beleeft, een speciale positie inneemt. ,,Een aantal functionarissen mag op het terrein van El Al een wapen dragen, dat is nooit aan een andere maatschappij toegestaan.'' De vergunning hiervoor kwam volgens hem van de Commissaris der Koningin in Noord-Holland.

Medewerkers van de Rijksverkeersinspectie (RVI), een onderdeel van het ministerie van Verkeer en Waterstaat kijken blijkbaar met andere ogen naar de Israelische maatschappij. Zij hebben El Al steeds behandeld als alle andere luchtvaartmaatschappijen en wanneer er iets niet deugt wordt gewoon proces-verbaal opgemaakt, verklaarden ze gisteren voor de enquêtecommissie. Volgens de inspecteurs is daar niet pas na het ongeval een begin mee gemaakt, zoals in het verleden wel is gesuggereerd. In 1991, het jaar voor de ramp, werd er bij voorbeeld zeven keer proces verbaal opgemaakt tegen El Al. Het ging daarbij niet om ernstige overtredingen, zo legde G. Schipper van de RVI uit. Meestal betrof het onjuistheden in de vrachtdocumenten. Ook andere maatschappijen overkomt dat geregeld. Gewoonlijk betaalde de maatschappij dan een boete.

Later op de middag verhoorde de commissie twee medewerkers van de dienst luchtvaart van de rijkspolitie op Schiphol. Een van hen, J. de Rooij, was op de avond van de ramp aangesteld als liaison tussen het Bureau Vooronderzoek Ongevallen (BVO) van de RLD en de rijkspolitie. ,,Een soort doorgeefluik'', zei hij.

De Rooij kreeg rond 20.30 uur opdracht van een medewerker van BVO, K. Beumkes, om de vrachtpapieren van het verongelukte toestel op te halen. Daartoe stelde hij zich in verbinding met het politiebureau op Schiphol. Pas na middernacht kon hij de gevraagde documenten ophalen. Hij kreeg een dikke envelop mee, waarin volgens hem kopieën van de operationele papieren - over de belading - zaten en rose gekleurde doorslagen van een deel van de vrachtpapieren, de zogeheten airwaybills.

Hoe die vrachtpapieren in de envelop terecht waren gekomen, blijft intussen onopgehelderd. De Rooij's collega D. Nix had de commissie woensdag verteld dat hij alleen de operationele papieren had opgehaald bij El Al en dat de vrachtpapieren apart op een andere lokatie moesten worden opgepikt. Hij was daar niet aan toegekomen. Ook blijft het tijdsschema onduidelijk. Nix vertelde de commissie woensdag dat hij rond 22.15 uur was teruggekeerd op het bureau. De Rooij hield zich echter aan het officiële politie-journaal en dat vermeldt dat Nix pas om 23.55 uur terug was op het bureau.

Terwijl er dus ernstige twijfels bestaan over het logboek van de politie, bleek uit de verhoren van de beide rijkspolitiefunctionarissen gisteren ook al dat de reorganisatie van hun dienst vergaande gevolgen had. Geen van tweeën kon vertellen wie op de avond van de ramp het bevel voerde op het bureau. Inmiddels zijn er wel conceptregels opgesteld voor de dagelijkse praktijk, maar die zijn forrmeel nog altijd niet van kracht. De Rooij en zijn collega J. Houtman verklaarden het merkwaardig te vinden dat dit zo lang moest duren.

Houtman beklaagde zich er ook over dat er nooit een evaluatie was geweest over het eigen optreden van de politie. Zijn superieuren, wie het dan ook geweest mogen zijn, voelden hier volgens hem niets voor. ,,Het is een trieste constatering maar wel een feit'', aldus Houtman.