Jan Foudraine: Wie is van hout, 1971

Eind jaren zestig voelde de Amsterdamse psychiater Jan Foudraine zich de `messias der schizofrenen'. Hij wilde hen redden van de farizeeërs van de biologische psychiatrie, die geesteszieken beschouwden als `kapotte radio's', waar rare geluiden uitkwamen. Foudraine meende dat schizofrenen helemaal niet `ziek waren in hun hersenen', maar in hun hart. Ze waren in een psychose gevlucht omdat ze de realiteit (vaak in de vorm van hun ouders) te kil of bedreigend vonden. Pillen en elektroshocks waren niet het juiste antwoord. Psychiaters moesten leren om patiënten te `ontmoeten', van mens tot mens. Dan pas openbaarde zich de `zin' in hun waanzin, dan pas konden de psychische trauma's worden blootgelegd, en de eenzame zielen langzaam worden teruggeleid naar de werkelijkheid. Een mensonwaardig bestaan als chronisch patiënt in een afgelegen gesticht bleef hun zo bespaard.

Met deze progressieve boodschap hoopte Foudraine een enthousiast onthaal te vinden bij zijn Nederlandse collega's. Toen die waardering uitbleef, besloot hij zijn protest tegen het `tot ding maken van mensen' in een boek op te schrijven. Daarmee begon zijn wilde rit over de achtbaan van de roem, die hem een decennium later enigszins draaierig bij zijn eigen redder deed belanden, de goeroe Bhagwan Shree Rajneesh. Van zijn in mei 1971 verschenen Wie is van hout...Een gang door de psychiatrie werden ruim 200.000 exemplaren verkocht, een ongekend aantal voor een boek over psychiatrie. Het boek verdrong Soldaat van Oranje van de eerste plaats in de bestsellerlijsten. Foudraine werd platgebeld door lezers; de media, van De Telegraaf tot De Waarheid, haalden hem binnen als een nieuwe Freud. Eindelijk stond de psychiatrie `op de helling' en was het taboe rond psychische ellende in gezinnen doorbroken. `In de vakantie lagen jongeren Wie is van hout... tot op de stranden van Spanje te lezen', aldus de trotse uitgeverij Ambo, een jaar na de eerste druk.

Buiten zijn eigen beroepsgroep vielen Foudraine's ideeën dus in vruchtbare aarde. `Psychische problemen' en `menselijke relaties' waren in de jaren zeventig zeer populaire onderwerpen. `Psycho-babbel' was nog geen negatief begrip of vulling voor talkshows. Van Thomas Harris' I'm OK, you're OK (1969) gingen hier 250.000 exemplaren over de toonbank, veel Nederlanders gingen in therapie om hun `ware zelf' te vinden. Foudraine sloot naadloos aan bij de anti-autoritaire tijdgeest. `Het wordt tijd dat de psychiater van zijn voetstuk komt', schreef hij opstandig, `en dat de leek mee leert denken over datgene waar psychiaters mee worstelen.'

Toegankelijk is zijn boek inderdaad. Ondanks de grote hoeveelheid wetenschappelijke literatuur die erin wordt besproken, leest Wie is van hout... bij vlagen zelfs als een avonturenroman. Foudraine verwijst naar persoonlijke ervaringen en vertelt openhartig over zijn twijfels en emoties. Als hij erin slaagt een diepe `ontmoeting' met een patiënt tot stand te brengen, zwelt ook de borst van de lezer. Zoals met `Karel', een ongeneeslijk verklaarde `defect-schizofreen' met wie Foudraine wekenlang rondwandelde, aan wie hij gedichten voorlas en met wie hij praatte over `Buber, Jung, mijzelf, mijn leven'. Lange tijd bleef Karel zwijgen. Maar op een dag kwam de dramatische doorbraak. Karel ging vertellen over zijn zwakke vader, zijn overbezorgde moeder en zijn streng katholieke opvoeding, die hem had opgezadeld met de schuldbewuste dwanggedachte dat `Jezus ook heeft gemasturbeerd'. Karels problemen moeten voor veel Nederlanders, zelf in deze periode bezig zich te ontworstelen aan hun ouderlijk milieu, religie of seksueel conservatisme, herkenbaar zijn geweest.

De gevoelens van gekken zíjn dan ook zeer herkenbaar, meende Foudraine. In de woorden van de door hem bewonderde neo-Freudiaan Harry Stack Sullivan: `We are all much more simply human than otherwise'. Psychiaters zagen dat over het hoofd. Ter illustratie vertelt Foudraine over een patiënt die door een hoogleraar psychiatrie wordt `gedemonstreerd' aan studenten. Terwijl de hoogleraar uitlegt welk ziektebeeld de man vertoont, schreeuwt deze opeens: 'Ik ben van hout! Ik ben van hout!' Onbewogen licht de professor toe dat dit soort nonsenspraat een typisch symptoom is van schizofrenie. Maar, aldus Foudraine, het wás helemaal geen nonsenspraat. De man bedoelde dat hij zich behandeld voelde `als een stuk hout'. De ongevoelige psychiater in dit voorbeeld was volgens Foudraine natuurlijk het èchte stuk hout. En misschien was de patiënt wel gek geworden door dit soort ongevoeligheid. Zoals op de achterflap van Wie is van hout... stond: `Geestelijk gestoorden zijn de luidsprekers waaruit de kwalen van onze tijd misschien het duidelijkst weerklinken.' Schizofrenen waren bij uitstek slachtoffers van de `vervreemding' in de westerse samenleving. Sterker nog: waarschijnlijk waren ze gezonder dan de `normalen'. Instemmend citeert Foudraine een progressieve therapeut die tegen een patiënt zegt: `Je bent in ieder geval niet dood, zoals zoveel mensen die met een aktentas rondlopen.' Krankzinnigheid kon een ontsnapping zijn aan `de games, de hypocrisie'.

Zulke ideeën had Foudraine niet van zichzelf. Hij stelde ze samen uit de boeken van spraakmakende buitenlandse `antipsychiaters' als de Engelsman R.D. Laing en de Amerikaan Thomas Szasz. In de Angelsaksische wereld was het nieuwtje daar begin jaren zeventig alweer een beetje van af. Maar voor veel Nederlanders was de boodschap nieuw en welkom, mede als projectiescherm voor hun maatschappijkritiek.

Niet alleen bij het grote publiek zorgde Wie is van hout... voor beroering, maar ook in de geestelijke gezondheidszorg. De eerste ophef over Dennendal – de zwakzinnigen-inrichting waar psycholoog Carel Muller een menselijker klimaat wilde creëren en het personeel gelijkwaardig omging met de `pupillen' – was in mei 1971, toen Foudraine's boek verscheen, net achter de rug. De monopoliepositie van de psychiater werd bedreigd door de opkomst van nieuwe beroepsgroepen als psychologen en maatschappelijk werkers. De gevestigde, biologische benadering kreeg concurrentie van `psycho-dynamische' therapieën, die de oorzaken van psychische stoornissen meer zochten in de persoonlijke geschiedenis van het individu dan in lichamelijke factoren. Tegelijk klaagden verpleegkundigen dat hun werk water naar de zee dragen was, zolang de maatschappelijke oorzaken van geestesziekte niet werden aangepakt. Foudraine's boek werd een wapen in de strijd tegen het `medisch model', dat het zieke individu isoleerde en volstopte met pillen.

De Nederlandse psychiaters reageerden verdeeld op de populariteit van het boek. Hoewel sommigen genuanceerd waren of zelfs de hand in eigen boezem staken (`de psychiatrie krijgt thans de rekening gepresenteerd voor een te grote zelfgenoegzame isolatie', merkte één van hen op) werd ook tegen Wie is van hout...gefulmineerd. Foudraine werd uitgemaakt voor demagoog, zijn lezers voor sensatiebeluste voyeurs en `bittertafel-revolutionairen'. Foudraine zou een simplistisch onderscheid maken tussen lichaam en geest. Bovendien negeerde hij de successen van de biologische psychiatrie, zoals de ontdekking van het medicijn Lithium als probaat middel tegen manisch-depressiviteit.

Het was, voorlopig, vechten tegen de bierkaai. Foudraine had de tijd mee. Maar langzaam sprongen er barsten in zijn `humane' imago. A.J. Heerma van Voss, journalist bij de Haagse Post, ontdekte dat Foudraine niet helemaal eerlijk was geweest over een van zijn succesgevallen. Walter, een schizofrene jongen die onder Foudraine's hoede geheel was opgebloeid, was kort na het beëindigen van de behandeling overleden. Een `stompzinnig ongeluk', aldus Foudraine in zijn boek, en zeker geen zelfmoord. Maar dat laatste was bij nader inzien toch niet zo zeker. Walter was gestikt in een stuk zeep, dat hij had geslikt om zichzelf te reinigen. In de dertiende druk (1972) bleek Foudraine de dood van Walter uit het boek te hebben verwijderd. De behandeling was succesvol geweest; einde verhaal.

Uitgerekend de openhartige voorvechter van authentieke menselijke communicatie bleek dus uit eigenbelang feiten te verdraaien. Foudraine's geloofwaardigheid werd verder aangetast toen hij eind jaren zeventig `ambassadeur in Nederland' werd van de Bhagwan-beweging, en de naam Swami Deva Amrito aannam. Eind jaren tachtig raakte hij nog kortstondig in opspraak door enkele homo-onvriendelijke uitlatingen in een van zijn vele Bhagwan-boeken.

Voor de psychiatrie was Foudraine toen allang geen bedreiging meer. Het psychotherapeutisch optimisme van de jaren zestig was tanende, schizofrenie werd niet langer verklaard uit het gedrag van de ouders, en de biologische psychiatrie zat weer stevig in het zadel. Na zijn boeken over Baghwan, die hij trouw is blijven verdedigen, opende Foudraine met Bunkerbouwers (1997) opnieuw de aanval op de biologische psychiatrie. Maar het shockeffect van Wie is van hout... bleef uit. Dit keer is de antipsychiatrie passé. In de jaren negentig is cosmetische farmacologie, bijvoorbeeld met Prozac, progressief.

Jan Foudraine: Wie is van hout... een gang door de psychiatrie. Ambo/Anthos (1971). Goedkope editie. ƒ25,–