Interne partijdemocratie PvdA moet de ruimte krijgen

Morgen stemt het congres van de PvdA over een nieuwe voorzitter, waarbij de winnaar niet bij voorbaat vaststaat. Paul Bordewijk vindt dat dit herstel van de interne partijdemocratie voorkomt dat de PvdA verwordt tot een gezelschap van elkaar beconcurrerende marketingexperts.

Morgen vergadert het congres van de Partij van de Arbeid. Er staan belangrijke zaken op de agenda: naast verkiezing van een nieuw partijbestuur en vaststelling van de kandidatenlijsten voor Eerste Kamer en Europees Parlement, wordt er gesproken over Europa, het nieuwe beginselprogramma, en de nota De PvdA in de 21ste eeuw. Een beetje overladen programma voor een eendaags congres.

Wie echter ziet welke betekenis er in de PvdA aan congresuitspraken wordt gehecht, zal zich daar geen zorgen over maken. Zo sprak het congres al in 1992 uit dat er een nieuw beginselprogramma moet komen, maar duurde het jaren voor er iets met die uitspraak van het congres gedaan werd, omdat voorzitter en vice-voorzitter van de partij dat niet zo verstandig vonden. Wanneer er een nieuw beginselprogramma zou worden vastgesteld, dreigde het gevaar dat de PvdA daar wel eens aan gehouden zou kunnen worden. Een ander voorbeeld: de problemen met de hypotheekaftrek bij de vaststelling van het recente verkiezingsprogramma hadden voorkomen kunnen worden als men de congresuitspraak daarover uit 1996 serieus genomen had.

Toen criticaster Bart Tromp op dit soort verschijnselen wees, werd hem door partijvoorzitter Rottenberg en zijn kompaan Vreeman gevraagd of hij dan soms terug wilde ,,naar de afdelingsvergadering met de vaste kern van vergadertijgers en kommaneukers als hèt offerfeest der democratie''. Daar konden degenen die op lokaal niveau participeren in de PvdA het mee doen. Als alternatief werd de netwerkbenadering gepropageerd, waarbij het niet nodig is om op plaatselijk niveau actief te zijn om toch mee te doen aan de discussie in de PvdA.

Hoezeer dat ook een wenselijke aanvulling is, een politieke partij is meer dan een debatingclub, er moeten ook conclusies uit het debat getrokken worden. Als men daarbij de reguliere partijorganen negeert, wordt de groep die beslist steeds kleiner. Neemt men het congres niet serieus, dan moet men niet verbaasd zijn dat het door het congres verkozen partijbestuur hetzelfde lot treft. Op het laatste congres bleek dat ook voor de partijvoorzitter te gelden: voorzitter Karin Adelmund kon alleen achteraf klagen dat de keuze van de bewindspersonen haar niet beviel, maar had daar kennelijk geen invloed op uit kunnen oefenen.

De vraag is, of politieke partijen nog willen functioneren als verenigingen van gelijkgezinden, die vanuit die gezindheid politieke programma's ontwikkelen, en daar electorale steun voor trachten te verwerven, of dat partijen elkaar beconcurrerende groepjes marketingexperts zijn, die via enquêtes en focusgroepen nagaan met welke standpunten zij electoraal maximaal kunnen scoren.

Dat dilemma is niet specifiek voor de PvdA. Uit het boek Stemmen in stromenland, waarin wordt teruggekeken op de verkiezingscampagnes van vorig jaar, blijkt dat het CDA bewust een discussie over abortus en euthanasie vermeden heeft, vanwege de wens ,,kwalitatief te verdienen in nieuwe segmenten''. Stem op ons, en let vooral niet op onze standpunten!

Je kunt de vraag stellen wat er erg is aan deze ontwikkeling. Partijen die allemaal hun best doen om datgene te formuleren wat de meeste kiezers willen horen, is de democratie daarmee niet het best gediend? Wie daar het best in slaagt, krijgt de meeste stemmen, de meeste subsidie, en kan de meeste plaatsen in het openbaar bestuur vervullen. Van degenen die daarbij in de prijzen vallen kan men dan weer extra geld vragen. In plaats van de verenigingsstructuur kan men zo van partijen een N.V. maken, tenslotte hebben ook voetbalclubs die ontwikkeling doorgemaakt.

Gelukkig staat de Kieswet dit niet toe. Het zou de definitieve overwinning van de gladjanussen in de Nederlandse politiek betekenen. Het gaat dan alleen nog maar om het imago van de lijsttrekker, en elke mogelijkheid tot een inhoudelijke keuze zou de kiezer ontnomen worden. De verenigingsstructuur van partijen maakt dat politici een achterban hebben die hen bij de les houdt, en zo nu en dan met een ongemakkelijk standpunt opzadelt.

Daarvoor is wel nodig dat de verenigingsstructuur van partijen onderhouden wordt. In plaats daarvan is die echter in de Partij van de Arbeid de afgelopen periode juist afgebroken. Dat was een verlate reactie op de afwijzing van het tweede kabinet-Den Uyl door de partijraad in 1977, toen de balans naar de andere kant was doorgeslagen. Maar de leden van 1999 zijn niet meer die van 1977.

Toch richt de nota De PvdA in de 21ste eeuw zich vooral op wie geen lid van de PvdA is, en ademt deze in al zijn vaagheid een geest uit alsof men een hekel heeft aan mensen die nu in de partij actief zijn. Men wil wel experimenteren met het ooit afgeschafte instrument van de ledenraadpleging, maar rept met geen woord over een betere structurering van de besluitvorming, versterking van de rol van de afdelingen en het respecteren van de reglementaire rol van partijorganen.

Niettemin daagt er een wonderbaarlijke terugkeer van de interne partijdemocratie. Er vindt morgen een stemming plaats over het partijvoorzitterschap, waarbij niet bij voorbaat vaststaat wie zal winnen. Vanuit het gezichtspunt van de interne democratisering van de partij is dat op zichzelf al een winst. Maar het heeft er ook toe geleid dat de kandidaten de afgelopen maanden de afdelingen langs zijn geweest, en daarbij de mooie woorden over het belang van de afdelingen hebben gesproken die in de officiële partijstukken zo gemist worden.

Uiteraard is het de vraag wat de verschillende kandidaten daarvan geïnternaliseerd hebben. De twee meest kansrijke kandidaten zijn Marijke van Hees en het duo Booij en Van Bruggen. Van hen heeft Marijke van Hees toe nu toe het meest blijk gegeven zich ervan bewust te zijn dat het er niet alleen om gaat dat de voorzitter interessante mensen bij de partij betrekt, maar dat er ook een verenigingsstructuur moet zijn waar ook de voorzitter aan gebonden is bij het maken van keuzes uit de standpunten die al die interessante mensen aandragen.

Wie het congres ook kiest, de partijvoorzitter zal een eigen plaats moeten veroveren naast de routiniers Kok en Melkert. Dat kan alleen wanneer de standpunten van de voorzitter op een democratische manier gelegitimeerd zijn door de verschillende partijorganen. Zonder een partij die als vereniging functioneert, is een partijvoorzitter een overbodig ornament.

Paul Bordewijk is lid van de werkgroep Partijpolitieke processen van de Wiardi Beckman Stichting.