Ingeslikte en halfverteerde woede

Een preek voor eigen parochie kun je het moeilijk noemen, de uiteenzetting die Anneke Brassinga geeft tegen het eind van Hapschaar, haar tweede prozawerk. In een komische mengeling van deemoed en drift legt ze nog maar eens uit dat zij met dit boek niet de grootscheepse roman heeft voortgebracht, die ze volgens de thans heersende literaire voorschriften had moeten schrijven. Een breed opgezette, moreel onderbouwde en netjes samenhangende vertelling had het eigenlijk moeten zijn, waarin grote universele vraagstukken aan de orde hadden kunnen komen. In de voorafgaande veertien hoofdstukken vindt men inderdaad niets over het tropisch regenwoud, het hoe en wat van het sociale verzekeringswezen en ook zal men er vergeefs in zoeken naar de nieuwste, filosofische inzichten over goed en kwaad in mens en maatschappij. `Ach', schrijft Brassinga dan, tot besluit van haar poëticale verzuchting, `kon ik me er maar bij neerleggen dat ik als mens ben geboren en niet als een van die nu zienderogen vergelende kastanjeblaren, geschud door een rabiate wind.'

Anneke Brassinga: Hapschaar. De Bezige Bij, 226 blz. ƒ36,50

Maar omdat ze nu eenmaal geen kastanjeblad is, zal ze zich steeds als schrijvend mens moeten blijven verantwoorden voor de opvattingen die ze wel degelijk heeft, zij het niet, zoals ze meer dan eens verzekert, over zaken `groter dan mijzelf'. Over liefde gaat het hier, en voedsel, huisraad en dood, wasgoed, pissebedden, muziek, zilvervisjes, drop, het oceanisch verlangen van de bedplasser, literatuur, insekten en godsdienst, om maar eens wat onderwerpen te noemen die in Hapschaar in afzonderlijke alinea's, lemma's zou je ze misschien beter kunnen noemen, aan de orde komen. Verhalende beschouwingen zijn het, of beschouwende verhalen, waar in kort bestek vaak een verrassend inzicht in de wereld wordt geboden.

Alleen al aan de grote diversiteit van de genoemde onderwerpen is te zien dat Brassinga minder bang is voor de grote greep dan ze wil doen geloven. Ook moet men zich niet verkijken op de suggestie van gemoedelijkheid en nabijheid die van haar werk uitgaat, van de vorig jaar verschenen dichtbundel Huisraad bijvoorbeeld. Het titelgedicht, een tamelijk ongenaakbaar sonnet, bevatte weliswaar enkele verwijzingen naar onmiskenbaar huishoudelijke attributen, zoals een pudding en een ei. Maar de context waarin ze zich bevonden, voorspelde weinig goeds. De pudding zag zich opgenomen in een weinig aanlokkelijk klinkend `zondagmiddagglibberpuddinggroen', terwijl het ei was overgeleverd aan de grillen van een gezinshoofd met zijn `hete satansadem'.

Op veel gezelligheid hoeft men ook in Hapschaar niet te rekenen. Onder het kopje `huisraad', dat wederom van de partij is, worden ongelijksoortige verschijnselen behandeld. Behalve stoelen, tandenborstels, badkuipen, boodschappentassen en slabakken, worden er ook boeken onder verstaan (in gebruik als voetenbankje, onderzetter, notitieblok of ovenwant), een echtgenoot en muziek. In het hoofdstuk over eten gaat het vooral over niet eten. Over vasten dus, over de weerzin tegen voedsel in het algemeen, over bedorven eetwaren, over verdrinkingsdood, kannibalisme en over veel ingeslikte en nog maar halfverteerde woede.

Hier worden geen zoete broodjes gebakken. Dat maakt de hapschaar uit de titel ook wel duidelijk, met zijn verschillende, overwegend ongunstige betekenissen. Letterlijk is de hapschaar een vleeshapper, een instrument waarmee op niet al te zachtzinnige wijze vlees kan worden beetgepakt, maar er kan ook een persoon mee bedoeld zijn. Een rare snuiter bijvoorbeeld, of iemand met veel geldingsdrang. De hapschaar lijkt in het boek zelf vooral te dienen als symbool voor de pogingen om greep te krijgen op het omringende, het eigen leven in de eerste plaats, zowel op de geestelijke als op de lichamelijke kant ervan.

Brassinga put zo te zien vooral uit eigen leven en hanteert daarbij een bijna onthutsend persoonlijke, gedreven en authenthieke toon. Men moet zich daarbij niets larmoyants voorstellen, maar juist iets hards, glashelders. De suggestie wordt bovendien gewekt dat we hier met een zorgvuldige selectie te maken hebben uit een veel groter arsenaal van gedachten, overwegingen en herinneringen, met het topje van een ijsberg. Alleen al achter de schaarse, sober weergegeven jeugdherinneringen (atheïstische opvoeding, twijfelachtige vader, zelfmoord moeder) kan men een wereld van leed vermoeden.

Wat Brassinga op elke bladzijde van Hapschaar lijkt te bevechten is het recht om van persoonlijke gevoelens en ervaringen uit te gaan, maar zichzelf daarbij tegelijkertijd, zoals ze dat ergens formuleert, `onverlet te laten'. Ze is niet uit op onverhulde autobiografie, begrijp ik daaruit, maar op meer of minder autonoom proza, dat zich van zijn persoonlijke aanleiding heeft losgezongen. Vandaar ook de willekeurige happen leven die we hier krijgen voorgezet.

Er is veel in Hapschaar dat doet denken aan het werk van Marie Kessels, dat ook zo zijn autobiografische wortels heeft: de vloeiende stijl, de bijzondere woordkeuze, de tragikomische ondertoon, de obsessie met mannen en voedsel en de eigenaardige combinatie van extreme eenzelvigheid en weinig verhullende zelfopenbaring. Hapschaar lijkt alleen veel grilliger van structuur dan bijvoorbeeld De god met gouden ballen (1995).

Maar bij nadere beschouwing valt er een mooie tweedeling te bespeuren in het boek. De eerste helft wordt vooral bepaald door een denkend ik, dat zich afzet tegen de wereld met zijn vele voorschriften en beperkingen. In de tweede helft, tijdens een werkvakantie aan de Ierse kust, vindt er een soort ommekeer plaats. Iets van de verkniptheid van lichaam en geest lijkt in de tweede helft van het boek opgeheven te worden. Het veelvuldige gedenk maakt plaats voor een zekere overgave aan de met de zintuigen waar te nemen werkelijkheid. `Hoe zwakker de gedachten worden', zo stelt het Brassinga-personage verheugd vast, `des te heviger de vertedering (...) door al de tijdelijke verschijningsvormen die zich in een omgeving ophouden: schemerlamp, koe, hond, mens, zielig lelijke leunstoel, tandeloze man die me gisteren vanuit zijn autoraampje per se een hand wilde geven (...), de pissebed in bad, het gebakken ei, alles staat levensgroot en zonder uitstel voor de wezenloos wordende geest en vult die.'

Brassinga laat er in Hapschaar geen twijfel over bestaan dat het leven een moeizame en pijnlijke aangelegenheid is, maar ook dat men er evengoed iets van moet proberen te maken, al was het maar in de verbeelding. Het dier waarmee zij zich verwant acht en dat in het boek steeds weer opduikt, is het schaap, het eenzame schaap, op zoek naar de verdwenen kudde.

`Nooit word je meer of minder dan een pluk schapenwol aan prikkeldraad', zo houdt ze ons bij herhaling ietwat zuinig voor. Maar Brassinga weet wel beter, want het ideaal dat haar voor ogen zweeft is om alleen, met z'n tweeën desnoods, een kudde te vormen, opgebouwd uit de tientallen afsplitsingen van zichzelf. Want wat is er aantrekkelijker dan alleen te zijn en toch met z'n allen: eendrachtig en tevreden grazend en herkauwend.