Het huis Knorhoek

,,De muren van deze huizen spreken om zo te zeggen Nederlands, je hoort ze fluisteren in de schemering van die oud-Hollandse kamers - zo ingetogen en simpel, zo mooi van proporties.'' Rudy Kousbroek liet zich in Zuid-Afrika verrassen door de Kaaps-Hollandse architectuur.

Het is me een raadsel, zo heb ik wel vaker geschreven, dat er in Nederland nooit een Indisch huis is nagebouwd - een huis in de oude koloniale stijl met voor- en achtergalerij, naar de vaste vorm en indeling die over de eeuwen in Indië waren ontstaan. Blijkbaar heeft geen van de oud-Indischgasten die in Nederland somptueuze villa's lieten neerzetten ooit behoefte gehad om zo'n huis te laten bouwen - niet eens uit didactische overwegingen, maar eenvoudig uit verlangen naar zo'n huis, om in die omgeving de hem resterende jaren te slijten. Dat is wat ik niet kan begrijpen.

Nu ik in Zuid-Afrika ben geweest heb ik de neiging hetzelfde te zeggen over de schitterende Kaaps-Hollandse architectuur die ik daar heb gezien. Ik wist wel dat er zoiets bestond, maar ik had er maar een vage voorstelling van, niet veel meer dan de vluchtige witte schim van het huis Groot Constantia bij Kaapstad, bedolven onder onaangename associaties met apartheid en onderdrukking.

Ik moet zeggen dat ik volkomen verrast was door de omvang en de kwaliteit van de Kaaps-Hollandse architectuur die daar in Zuid-Afrika een verborgen bestaan leidt, zeker voorzover het de bekendheid ervan in Nederland betreft. Dat is betreurenswaardig en paradoxaal, want het gaat om iets waarvan de wortels toch voor een belangrijk deel in Nederland liggen; er is voor een Nederlander die daar gaat kijken veel herkenbaars, niet alleen herinnerend aan Nederland zelf, maar ook aan Nederlandse overblijfselen zoals over de hele wereld worden gevonden - van Formosa tot Brazilië en van Ceylon tot Malakka, en natuurlijk vooral in Indonesië.

Van die erfenis word je je ook bewust wanneer je binnenin zo'n huis staat; de muren spreken er om zo te zeggen Nederlands, je hoort ze fluisteren in de schemering van die oud-Hollandse kamers - zo ingetogen en simpel, zo mooi van proporties, en ook gebouwd volgens een vast plan, herinnerend aan de huizen in Indië. Vandaar dat mij in Zuid-Afrika diezelfde verwondering bekroop: waarom staat er in heel Nederland niet één zo'n Kaaps huis, nagebouwd aan de hand van oorspronkelijke tekeningen? Waarom geen replica van een van de huizen die in Zuid Afrika zelf in de laatste honderd jaar zijn verdwenen? Dat zou toch meer voor de hand liggen dan het kopiëren van een Belgisch kasteeltje, zoals men nu van plan is in Almere.

Het is waar dat Zuid-Afrika verder van ons af staat dan Indië. Je kunt in Nederland nog gemakkelijk mensen vinden die in Indische huizen zijn geboren en opgegroeid en er geblinddoekt de weg in zouden weten; zulke mensen zijn er met betrekking tot Zuid-Afrika allang niet meer, de breuk met Nederland dateert van 200 jaar geleden, te ver weg voor nostalgische gevoelens. Een dergelijke band bestaat wel met Engeland; er is in Zuid-Afrika veel dat aan Engeland herinnert, maar het wonder is dat onder een betrekkelijk dun Engels vernis het oudere karakter van veel plaatsen en dorpen zo duidelijk bewaard is gebleven. De Kaaps-Hollandse bouwstijl is werkelijk een soort wonder - een Hollands wonder, in de betekenis van iets dat duidelijk van Hollandse afkomst is maar toch eigen, een in Nederland niet bestaande variant. Wat mij telkens weer verbaast is dat er zo veel van is. In de tweede helft van de 18de en het begin van de 19de eeuw moeten er overal in Zuid-Afrika op een voor die tijd enorme schaal huizen en boerderijen zijn verrezen, en met een verwonderlijke eenheid van stijl; hoe komt het dat dat in Holland niet bekender is? In de Universiteitsbibliotheek hier bleken maar een paar titels over dit onderwerp beschikbaar te zijn, daterend van één of meer generaties geleden en geen ervan Nederlandse publicaties.

Hamer

Helaas, het Hollandse verleden in Zuid-Afrika zit overal ter wereld in het verdomboekje, en uiteraard om redenen van politieke correctheid. Ook dat is in feite een ravage veroorzaakt door het apartheidsregime: de hamer waarmee nu alles tot puin kan worden geslagen is om zo te zeggen eigen fabrikaat.

Voor mensen die in die periode in Zuid-Afrika zijn grootgebracht zijn die schitterend gerestaureerde gebouwen klaarblijkelijk ook nog steeds besmet door Afrikaner nationalisme. Wat er voor mij uitzag als opmerkelijk goed bewaarde 18e eeuwse architectuur is voor hen kennelijk iets waar zij op school jarenlang mee achtervolgd zijn; dat dat aspect er voor mij niet was leek hen een opluchting te zijn, alsof ze het nu eindelijk weer een beetje mooi mochten vinden. Zelfs het feit dat die gebouwen zo smetteloos wit worden gehouden heeft in dat licht bijna iets symbolisch en uitdagends. Maar de reden is eenvoudig dat de muren traditioneel zijn opgetrokken uit ongebakken klei, die door een laag pleister en witkalk tegen indringend water moet worden beschermd.Aan deze dingen werd ik ook herinnerd bij het lezen van Boyhood: A Memoir, waarin J.M. Coetzee zijn jeugd in Zuid-Afrika beschrijft. Coetzee groeide op in een nogal zonderling Engelstalig milieu, waarin alles wat Afrikaans was ontkend en veracht werd, met inbegrip van de taal. Maar de tekst is doorspekt met citaten in het Afrikaans, en juist die gaan door merg en been (dat moet grotendeels voorbij gaan aan een lezer die geen Afrikaans of Nederlands kent). Het boek bevat ook onvergetelijke beschrijvingen van het leven op zo'n grote boerderij. Het leven daar is, in Coetzee's eigen termen, eigenlijk het enige wat echt is in die vreemde wereld; en er is nu voor mij nog een dimensie bijgekomen: hoe die boerderij eruit ziet, de dimensie van de architectuur.

Ik moet hier bekennen dat wat bij mij tenslotte de onvoorwaardelijke overgave aan deze Kaaps-Hollandse bouwstijl veroorzaakte, niet in de eerste plaats eigen waarnemingen waren (ik heb ook niet meer dan een fractie van al het bestaande kunnen zien), maar vooral een fotoboek waarvan ik het geluk had een exemplaar te vinden in Stellenbosch. Een werkelijk fabelachtig boek, getiteld A Cape Camera: The Architectural Beauty of the Old Cape. Photographs from the Arthur Elliott Collection in the Cape Archives. Compiled and Introduced by Hans Fransen (Jonathan Ball Ltd, Johannesburg 1993) (Meteen bestellen! Misschien hebben ze er nog een paar).

Lattendeuren

Time travel, rondkijken in de wereld van een eeuw geleden: wat dit boek laat zien is wat er honderd jaar geleden nog aan Kaaps-Hollandse gebouwen bestond; de fotocollectie is het werk van een Amerikaan van Schotse afkomst, Arthur Elliott, die rond 1900 systematisch alles fotografeerde wat hij aan Kaaps-Hollandse architectuur kon vinden. Wat het resultaat zo ongelooflijk maakt is dat niet speciaal de bekende pronkstukken worden getoond, maar ook stadsgebouwen ten prooi aan verwaarlozing en allerlei minder spectaculaire gebouwen - nog ongerestaureerd, zoals ze werkelijk in gebruik waren, van een ontwapenende simpelheid, met scheefhangende lattendeuren, kippen die rondscharrelen op het erf, een schoolklas verzameld voor een groepsfoto, een poortje, spelende kinderen, een hoek van een tuin.

Door het noodzakelijk beperkte aantal illustraties bij dit artikel is het onmogelijk een goed idee te geven van de specificiteit van de gebouwen die in dit boek worden getoond - misschien is het niet eens duidelijk dat de gevels het belangrijkste onderdeel zijn van de Kaapse architectuur. Die gevels zijn duidelijk verwant aan oude gevels in Holland, bijvoorbeeld die van Vingboons in Amsterdam, maar een verschil met soortgelijke huizen in Nederland is dat zij in Zuid-Afrika als regel met de lange kant naar voren staan; de meest bewerkte gevel werd daarom aangebracht boven de voordeur in het midden en dat is wat de Kaaps-Hollandse gebouwen hun karakteristieke aanblik geeft. Die gevels worden naar hun vorm onderscheiden in allerlei typen en families, een hele wetenschap op zichzelf; en verder zijn er de verschillende tracé's van het grondplan, dat de vorm kan hebben van een I, een T, een U of een H.

De uitzonderlijke kwaliteit van de begeleidende tekst en de grote eruditie waarmee van ieder gebouw de geschiedenis en de achtergrond wordt gegeven maakte mij nieuwsgierig naar de samensteller van het boek, Hans Fransen. Hij blijkt geboren te zijn in Amsterdam, maar moet op jeugdige leeftijd naar Zuid-Afrika zijn gegaan, waar hij achtereenvolgens directeur was van Groot Constantia en van het Museum van Stellenbosch. Al in 1965 verscheen van hem, in samenwerking met Mary Alexander Cook, The Old Houses of the Cape (Balkema, Kaapstad/Amsterdam), een systematische inventaris, ook met foto's, van Kaaps-Hollandse architectuur.

De lijst van die huizen en boerderijen is alleen al onvergetelijk door de Hollandse namen, waaronder bekende als Zorgvliet, Weltevreden en Buitenzorg, vermakelijke als Drukmyniet, Nauwbepaald, Karbonaatjieskraal, Moddergat, Zeekoegat, Klapmuts, Knorhoek; en rechtzinnig Oudtestamentische als Daljosaphat, Mamre, Oefeningshuis, Genadendal, Welbeloond, Ongegund en Zwaarmoed. Ook ontdekte ik dat de oorspronkelijke naam van Wellington Wagenmakersvallei was; zo heette Kimberley Vooruitzigt, Somerset-West Cloetenburg, Caledon Warmebad, Malmesbury Swartland, etc.

Bij het bekijken van dit boek uit 1965 realiseerde ik mij ook met schrik hoeveel van die huizen en boerderijen intussen alweer verloren zijn gegaan - aan modernisering, brand, afbraak terwille van speculaties in vastgoed, de bouw van flats, de aanleg van sportterreinen en verkeerswegen. In A Cape Camera schrijft Fransen: `Omstreeks de tijd dat de Kaaps-Hollandse bouwstijl begon te tanen - laten we zeggen rond 1850 - zullen er in het hele areaal zo'n zesduizend goede gebouwen zijn geweest, meer dan de helft daarvan boerderijen. Afgaande op de informatie verschaft door de foto's van Elliott stonden er rond de eeuwwisseling nog zowat tweeduizend van overeind. Vandaag (1993) zijn er niet meer dan zevenhonderd in herkenbare vorm van over...'

Het is voorstelbaar dat het behoud van de Kaaps-Hollandse architectuur, met uitzondering misschien van een paar beroemde toeristentrekkers, voor het nieuwe Zuid-Afrika geen hoge prioriteit heeft. Toch zou het tragisch zijn als er nu nog meer verloren ging - zoals het ook tragisch is dat de drie of vier miljoen kleurlingen die het Afrikaans als moedertaal hebben, deze taal nu niet meer op school leren. Uit die twee dingen vooral bestaat de erfenis van de Zuid-Afrikaanse cultuur: de taal en de architectuur. Er woonden vroeger ook kleurlingen in Kaaps-Hollandse huizen; naar het schijnt zijn die er tijdens de apartheid uitgezet - geen wonder dat het hele Zuid-Afrikaanse verleden is gedemoniseerd. Alleen een wonder, zo heet het, kan het voor de ondergang behoeden. Het is een wonder waar ik op hoop.

Intussen is er iets dat wij kunnen doen, namelijk een grote tentoonstelling organiseren die de Kaaps-Hollandse bouwkunst het prestige geeft dat haar toekomt. Het is duidelijk wie daarvoor uitgenodigd zou moeten worden: Hans Fransen.

Helaas, het Hollandse verleden in Zuid-Afrika zit overal ter wereld in het verdomboekje