Het duet van verlangen

Voor haar gezelschap Conny Janssen Danst... nodigt de choreografe van die naam voor elke nieuwe voorstelling andere dansers uit, voor een choreografie die voortkomt uit hun persoonlijkheden. ,,De dansers moeten mij op ideeën brengen.''

Ze hingen een paar jaar geleden door heel Rotterdam, de posters met het gezicht van de directeur van Metaalwarenfabriek H.Janssen. Echt een hoofd om reclame mee te maken: een oudere man, grijze slapen, zware wenkbrauwen, een priemende blik en wangen die al dichterlijk waren gaan kwabben. Hoewel veel Rotterdammers hem moeten hebben herkend, stond H.Janssen daar niet om promotie te maken voor zijn nering - hij maakte reclame voor Vijzel, de zesde avondvullende voorstelling van het dansgezelschap `Conny Janssen Danst...', die zich in zijn fabriek afspeelt.

,,Ik heb er weken over nagedacht of ik mijn vader wel op die poster kon zetten'', zegt Conny Janssen, choreograaf en leidster van het gezelschap. ,,Maar Vijzel was nu eenmaal een autobiografische voorstelling, en bovendien de meest anecdotische die ik ooit heb gemaakt. Toen ik 'm aan het samenstellen was, ben ik naar de fabriek teruggegaan om de sfeer te proeven. Die geur van het staal, de trilling van de machines, dat schelle geluid van een metaalboor, ze riepen allemaal associaties op die ik in de voorstelling verwerkt heb. En ik geloof wel dat mijn vader er blij mee was.''

Daar was ook wel enige reden toe, want in Vijzel komen alle eigenschappen van zijn dochters gezelschap samen. De voorstelling begint in een ruimte die duidelijk een kantine is - kale formica tafels, wat stoelen, mannen in overalls die de krant lezen of doelloos over hun koffie staren. Pas als op de achtergrond de Arbeidsvitaminen-klanken van Gerry and the Pacemakers (`Ferry across the Mersey') en Jay & the Americans (`Caramia') inzetten komen ze in beweging. Niet dat ze echt gaan dansen: ze rekken zich wat uit en veren dan met een klap terug of maken een paar passen om een tafel heen om snel weer te gaan zitten. De jongen die het na vier nummers waagt als een Chuck Berry op de tafel te gaan staan swingen wordt door twee collega's schielijk met meubel en al van het publiek weggedraaid.

Daarna wordt de voorstelling echter al snel abstracter. De tafels verdwijnen en de bewegingen worden minder anecdotisch, maar zeker niet minder intrigerend, al is het maar omdat Janssen de ideeën achter elkaar uit haar mouw schudt. Het tweede gedeelte van Vijzel spoelt als een golf over de toeschouwer heen. Bovendien lukt het Janssen om iedere danser een eigen persoonlijkeid te geven: allemaal krijgen ze wel een solo of een duet dat duidelijk op hun persoon is toegesneden. Aan het einde van Vijzel is iedere danser dan ook een personage, iemand die je herkent in zijn sterke en zwakke plekken.

Ad hoc

Die herkenbaarheid bestaat voor een belangrijk deel bij de gratie van het feit dat Conny Janssen Danst.. een `ad hoc-gezelschap' is, zoals de choreografe het noemt. Zelf is Janssen (1958) de spil van de groep. Ze danste acht jaar bij het inmiddels opgeheven Djazzex, en begon in 1988 met choreograferen. In 1992 richtte ze Conny Janssen Danst... op, een eigen gezelschap waarvoor ze de onderwerpen bedenkt, de choreografieën maakt en de dansers uitzoekt. Pas op het moment dat er gerepeteerd gaat worden treden de dansers voor vijf à zes maanden bij haar en impresario Wim Visser in dienst; na de tournee gaat ieder weer zijns weegs.

Tot nu toe heeft deze opzet voor Janssen goed gewerkt. ,,Ik maak mijn materiaal vrij gemakkelijk, maar dat doe ik nooit vanuit een grote gedachte. Ik begin te werken in een sfeer die ik wil uitdragen. Daarbij laat ik me graag inspireren door de omstandigheden, maar vooral door de dansers zelf. Ik zie ze aan het werk, observeer ze en probeer hun specifieke kwaliteiten te ontdekken. Toen ik Astrid Posner bijvoorbeeld zag, het blonde meisje in mijn laatste voorsteling Oktober, dacht ik: `haar wil ik in een duet van verlangen zien'. Pas daarna begin ik aan de passen en bewegingen. Bij zo'n manier van werken kan er niets vastliggen, kan ik niet van dansers afhankelijk zijn. Mijn groep moet daarom telkens van bezetting wisselen.''

Het nadeel van deze fragmentarische manier van doen was vooral in vroegere producties, zoals Welk een eer voor het vaderland te mogen sterven (1996) goed te zien: dit stuk voor acht mannen hing als losse flarden aan elkaar, wat leidde tot lange periodes waarin op het podium zo goed als niets gebeurde of waarin de dansers zelf de decors opbouwden en afbraken, waardoor het tempo voor een groot deel uit het stuk verdween.

,,Dat is inderdaad een van mijn zwakke punten'', zegt Janssen. ,,Ik heb nooit een gebrek aan ideeën, maar omdat mijn stukken nooit teruggaan op een centrale gedachte, willen die fragmenten nog wel eens moeilijk op elkaar aansluiten en de voorstelling als geheel wel eens wat fragmentarisch worden.''

Krekeldoosje

Dat probleem heeft Janssens bij haar laatste choreografie, Oktober, waarmee het gezelschap tot 14 maart door Nederland toert, echter weten te ondervangen. Juist de overgangen van het ene fragment naar het andere zijn prachtig soepel. Omdat Janssen ook minder sterk op anecdotes leunt is Oktober een gave, soms zelfs meeslepende voorstelling geworden. Bovendien weet Janssen haar ideeënrijkdom ten goede te keren. Zoals ook in Vijzel en Welk een eer... komt ze met verrassende beelden. Na de opening bijvoorbeeld, vallen op het plein waar Oktober zich afspeelt, de duisternis en de stilte in. Plotseling klinkt er zacht getsjirp en schuiven er vier gestalten het podium op, met op hun rug een Chinees krekeldoosje waarin een klein lampje zit verborgen - een beeld dat de weemoedige en melancholieke sfeer van het stuk alleen maar benadrukt.

Bovendien slaagt Janssen er ook in Oktober in haar dansers een persoonlijkheid mee te geven zonder het stuk al te anecdotisch te laten worden. Jens van Daele bijvoorbeeld, een levendige danser met een bos blonde krullen, komt naar voren als een drukke, wat onbeholpen jongen die moeilijk met zijn gevoelens raad weet. Zo probeert hij, terwijl ze allebei op de grond zitten, zijn hoofd in de schoot van de danseres Iris Reyes te leggen, maar zij schuift telkens een stukje opzij. Van Daele is ook degene die aan het einde van Oktober een solo uitvoert voor een van de deuren op het podium waarachter Reyes zich zou kunnen bevinden. Janssen: ,,Ik probeer mijn dansers zo te kiezen dat er iets gebeurt tussen hen onderling en tussen hen en mij. Dat is mede de basis van mijn choreografieën. De dansers moeten mij op ideeën brengen. Ik beschouw ze niet als instrument voor mijn passen, ik wil dat de toeschouwer door mijn werk iets meer van de dansers zelf te zien krijgt. Want uiteindelijk gaat het me om hen.''

Hoewel Conny Janssen Danst... nu acht jaar zo werkt, heeft Janssen onlangs besloten dat er iets moet gaan veranderen. Daarvoor wil ze de prijs van 50.000 gulden gebruiken die ze vorig jaar van de Philip Morris Stichting kreeg. ,,De manier waarop we werken begint me op te breken. Telkens als ik de dansers weer bij elkaar heb, komt de groep langzaam op gang, na een aantal maanden zijn we op toeren en net als we helemaal aan elkaar gewend zijn moeten we weer stoppen. Dat is een loodzware manier van produceren. Bovendien kunnen we moeilijk op tournee en vaak kan ik niet ingaan op uitnodigingen voor festivals in het buitenland omdat ik dan net mijn dansers niet heb. Aan het begin, als je net komt kijken, krijg je daarmee nogal wat goodwill, maar nu, na acht jaar begint het tegen ons te werken. Het komende jaar wil ik Conny Janssen danst... dus anders opzetten, maar daar ben ik nog druk over aan het nadenken. Misschien moet ik wel een echt gezelschap worden.''

Oktober van Conny Janssen Danst... is nog te zien op 20/2 in Dordrecht, 24/2 in Utrecht, 25/2 in Leiden, 2/3 in Gouda, 4/3 in Terneuzen, 6/3 in Alphen a/d Rijn en 14/3 in Amsterdam. Inl. (020) 6233700.