Het circus der jeugd

Een paar maanden geleden ontvingen diverse krantenredacties een ansichtkaart van kunstenaar Rob van Koningsbruggen (1948) met één zin: `In Nederland bestaan drie soorten kunstenaars: jonge, dooie en buitenlandse'. Het was een klein protest van een schilder die zich, net als veel van zijn generatiegenoten, aan alle kanten voorbijgestreefd ziet worden door kunstenaars die net van de academie komen en de helft van zijn leeftijd hebben. Ze hebben nauwelijks nog werk gemaakt, deze jongeren, nauwelijks een eigen stijl kunnen ontwikkelen. Maar toch worden museumzalen voor hen leeggeruimd, krijgen ze beurzen, prijzen en stipendia voor reizen over de hele wereld: van de ene Manifesta naar de volgende Biënnale. Van Koningsbruggen en zijn generatiegenoten mogen ondertussen al blij zijn als ze nog voor een tentoonstelling worden uitgenodigd.

Voor deze vijftigers moet deze situatie extra zuur zijn omdat zij zelf tot de laatste generaties hoorden die zich op inhoudelijke gronden onderscheidden ,of, om preciezer te zijn, die zich in hun werk nadrukkelijk afzetten tegen een voorgaande generatie. Dat was een veilig mechanisme, eeuwen oud al, en het moet Van Koningsbruggen en de zijnen dan ook stevig hebben verbaasd toen daar in de jaren tachtig plotseling een einde aan kwam. Alles was al gedaan, zo constateerde onder anderen Arthur Danto, en daarom was het voor kunstenaars onmogelijk geworden om nog als generatie op een voorgaande te reageren. Het gevolg daarvan kan iedere museumbezoeker dagelijks zien: in de zalen hangen schilderijen naast filmdoeken, staan installaties naast traditionele beelden, hangen collages naast foto's. Er is geen hiërarchie of onderscheid meer te bekennen.

Het denken in stromingen en generaties mag zijn bestaansrecht dan zijn kwijtgeraakt, dat betekent niet dat het verlangen naar vernieuwing is verdwenen. Het wordt tegenwoordig gezocht op de meest logische plaats: bij de jeugd. Dat was natuurlijk altijd al zo, maar toen was de jeugd nog synoniem met inhoudelijke vernieuwing. Juist daarvan is niet veel meer over: `jeugd' is een stroming op zich geworden, louter op basis van leeftijd. Jongeren zijn interessant, of ze nou figuratieve schilderijen, video-installaties of abstracte beelden maken.

Deze ontwikkeling wordt perfect weerspiegeld in het boek Cream dat een overzicht van de `jongste' kunst wil bieden. De hele uitgave straalt een verbeten soort jeugdigheid uit. Dat begint al in de boekhandel: daar liggen de stapels Cream ingeseald in dik, doorzichtig plastic alsof het pakken diepvries-surimi zijn. Daardoor blijft bovendien de hippe vormgeving van Cream goed zichtbaar. Het boek is in een hardroze omslag gestoken en uitgegeven op oblong-formaat, 38 centimeter lang en 19 centimeter hoog. Dat maakt lezen en bladeren weliswaar lastig, maar de jeugdige boodschap wordt er overtuigend door uitgedragen. Dat geldt ook voor de inhoud: het boek begint met een inleidende tekst die bestaat uit een e-mail-gesprek tussen de tien betrokken conservatoren, en die wordt gevolgd door teksten van een reeks huis-filosofen van de hedendaagse kunst (Gilles Deleuze, Julia Kristeva, Edward Saïd). Daarna worden er honderd jonge kunstenaars van over de hele wereld gepresenteerd, die ieder vier pagina's per persoon toebedeeld hebben gekregen. Dat laatste sluit goed aan bij een belangrijk aspect van de `jonge kunst': de ware jonge kunstenaar is een wereldreiziger, die van Berlijn naar Sao Paulo reist, van Johannesburg naar Sydney, van Kwang-Yu naar Istanbul, van Venetië naar Luxemburg en overal komt hij telkens dezelfde jonge collega's tegen.

Als er uit Cream echter iets duidelijk wordt, dan is het dat er tegelijk met al die Biënnales en Manifesta's een machtswisseling in de kunst heeft plaatsgevonden. Het zijn niet langer de kunstenaars die inhoudelijk de dienst uitmaken of de ontwikkelingen bepalen, maar de freelance conservatoren. Zij zijn de spin-doctors van de hedendaagse kunst. Zij worden over de hele wereld uitgenodigd om Biënnales en andere tentoonstellingen te maken, zij bedenken de thema's waarover die tentoonstellingen moeten gaan, zij zoeken daar de kunstenaars bij en, vooral, zij praten al die verschillende soorten kunst aan elkaar. Dat hun namen nog niet zo bekend zijn komt doordat de ontwikkeling nog vers is. Toch zou het me niks verbazen als Fransesco Bonami, Dan Cameron, Robert Fleck, Hou Hanrou, Okwui Enwezor, Nancy Spector, Klaus Biesenbach, en vooral Hans Ulrich Obrist de nieuwe sterren van de kunstwereld worden.

Het belang van deze conservatoren is het beste af te lezen aan het werk van Hans Ulrich Obrist. Hoewel hij nog geen dertig is, is hij op dit moment de invloedrijkste conservator ter wereld. Obrist heeft geen vaste woon- of verblijfplaats maar reist al een jaar of vijf de hele wereld over om zijn tentoonstellingen te maken en `zijn' kunstenaars trekken achter hem aan. Zijn invloed wordt duidelijk uit het feit dat de kunstenaars, die Obrist in Cream als beschermelingen opvoert, de toppers van de huidige generatie zijn. Zonder Matthew Barney, Douglas Gordon, Carsten Höller, Fabrice Hybert, Pipilotti Rist is nauwelijks nog een `hedendaagse' tentoonstelling denkbaar.

In Cream wordt deze ontwikkeling samengevat en daarmee is het het stijlboek van de conservatoren-kunst: van bovengenoemde rijtje doen Bonami, Cameron, Hanrou, Enwezor en Obrist er ook allemaal aan mee. En allemaal kiezen ze kunstenaars waarmee ze al vaker tentoonstellingen hebben gemaakt. Het zou me verbazen als op de komende Documenta, die wordt georganiseerd door Okwui Enwezor, de kunstenaars Kay Hassan, Shirin Neshat, Ole Oguibe, Yinka Shonibare, Pascale Marthine Tayou en Kara Walker zouden ontbreken. Nu kent bijna niemand ze nog, maar daar gaat Enwezor ongetwijfeld verandering in brengen.

Deze ontwikkeling maakt eveneens nieuwsgierig naar de toekomst van zowel de jonge kunstenaars als hun conservatoren. Zullen Obrist en de zijnen de kunstwereld de komende decennia domineren of zal hun plaats worden ingenomen door jonge conservatoren die in hun kielzog weer jongere kunstenaars meenemen?

Gebeurt dat dan ziet het er voor Obrist somber uit: `zijn' kunstenaars zijn, hoewel ze zelden langer dan vijf jaar meedraaien, al oudgedienden geworden, klaar om veroordeeld te worden tot het vagevuur van veertigplussers. Want dat is uiteindelijk de pijnlijke uitkomst van deze ontwikkeling: de huidige jeugd heeft een belabberde toekomst.

Cream: 10 curators, 10 writers, 100 artists. Phaidon, 448 blz. ƒ109,–