Heemkunde voor het tweede huisje

Het is de vraag wat een grotere belemmering voor de integratie van Frankrijk in Europa vormt: de pedante bureaucratische geest die alles bestieren wil, of 'het wilde denken' dat nog steeds zwijnenpoten boven de schuurdeur spijkert. Eertijds spraken Franse fascisten veelbetekenend van het `pays légal' en `pays réel' waarin het land verdeeld was. Dat contrast komt onder het natafelen in de `campagne' nog menigmaal ter sprake. In het buitenhuis mag de stedeling graag sentimenteel doen over de oeroude gewoonten van de boer, in tegenstelling tot het haastig stadsleven.

Maar wie daarvoor steun zoekt bij de folklorist Van Gennep en diens herdrukte (uit 1943) daterende Le folklore francais is aan het verkeerde adres. Hij ontkent niet dat de landelijke zeden iets van een sprookjeswereld hebben, maar dan vooral van de horrorkant. Alle Keltische romantiek en nationalistische sibbenkunde verwijst hij naar de prullenmand. Als de Bretonse vissers allemaal op dezelfde dag trouwen, is dat niet het overblijfsel van een antiek groepshuwelijk, meent Van Gennep, maar uit praktische overwegingen.

De nuchterheid waarmee de schrijver de opmerkelijke feiten verhaalt over doopfeesten in de Bourgogne, verlovingen in de Dauphiné, Vastenavond in Vlaanderen en de Paaswake in de Béarn, ontleent hij wellicht aan zijn kosmopolitische achtergrond. Arnold Van Gennep (1837-1957) werd in Duitsland geboren, zoon van een Franse Hugenoot en een Nederlandse moeder, van wie hij de achternaam voerde. Hij werd de moderne chroniqueur van de Franse folklore, en was in die hoedanigheid tientallen Franse dialecten meester. De vakliteratuur las hij bovendien in achttien talen. Niet het voorbeeld van de chauvinistische Franse intellectueel. De afbakening van het terrein, tussen de aanspraken van pastorale dweepzucht en zakelijke sociologie, was niet eenvoudig. In de lange inleiding besteedt Van Gennep nogal wat ruimte aan wat folklore allemaal niet is: geen conserveren van relicten en bijgeloof, geen ode aan `het scheppende volk' zoals de Duitse Volkskunde het zo graag zag, maar ook geen etnologie in eigen land. Zijn voorstel aan de folkloristen was praktisch: verzamel de gebruiken die het leven van een mens begeleiden – naar provincie, streek of zelfs dorp – en teken de ceremoniële data van het agrarisch jaar op. Precies en volledig. De levenscyclus en de jaarloop zijn ook het bestek geworden waarlangs zich zijn samenvattende Le folkore francais ontwikkelde. Handigheid nam Van Gennep trouwens letterlijk op: hij vond dat folkloristen een boerenkar, of een ander gereedschap of muziekinstrument op zijn technisch vernuft moesten kunnen beoordelen.

Ook in die voorkeur voor het tastbare ontdekt de lezer overeenkomsten met Maarten Koning (J.J. Voskuil) van Het Bureau. Die `roman fleuve' heeft Nederland in korte tijd met de finesses van de heemkunde vertrouwd gemaakt. De problemen van schriftelijke enquêtering, de moeizame bijeenkomsten met sleutelinformanten en de opstelling en uitleg van geografische kaarten van een cultuurverschijnsel – `welke verspreiding kent de ophanging van de nageboorte van het paard?' - het zijn gewetensvragen die een groot publiek tegenwoordig deelt met de gekwelde onderzoeker van Het Bureau. In de argwaan van Van Gennep ten opzichte van de atlassen van `Kulturkreisen' die de Duitse volkskundigen maakten, herkent men ook Voskuils weerzin tegen een vooropgezette interpretatie van het weerbarstig materiaal. En aan materiaal schort het niet. De liefhebber van La France profonde kan meteen gaan spitten naar de volgorde van de rouwstoet in zíjn dorpje en naar de samenstelling van het bruiloftsmenu in de streek. Hoewel de hoeveelheid gegevens overstelpend is – en niet is aangegeven welke dierbare gewoonten inmiddels definitief tot de geschiedenis behoren – is het lezen en bladeren in deze `encyclopedie van mensen en dingen die voorbijgaan' een genoegen.

Van Gennep vond dat folkloristen de kunst van grote `realisten' als Flaubert en de Maupassant moesten afkijken. Dat is te merken aan zijn trefzekere beschrijvingen. Men houdt niet op zich erover te verbazen. 'Ils sont fous, ces Gaulois'.

Arnold Van Gennep: Le folklore francais. Tome I du berceau à la tombe, cycles de carnaval-carême et de pâques. Robert Laffont, 1182 blz. ƒ68,–