Gulle vogelaarsblik

Als dichter was T. van Deel jarenlang een schuchtere verschijning. Zijn eerste drie dichtbundels, Strafwerk (1969), Recht onder de merels (1971) en Klein diorama (1974), kwamen wel kort na elkaar uit de pen, maar de toon van zijn poëzie was ingehouden en bij tijden bedeesd. De fanfare van het Grote woord ontbrak. Van Deel wilde geen indruk maken, maar in eenvoudige taal zo precies mogelijk formuleren wat hem omringde. Zijn onderwerpen waren navenant bescheiden: het familieleven, jeugdherinneringen, het leraarschap en zijn liefde voor de vogelwereld. Zijn blik was scherp en nuchter, maar in detoonzetting klonk een steelse weemoed – zoals in `Diergaarde' uit Klein diorama:

Het mooiste zijn de hokken, waar ook na lang

gezoek geen dier in wordt gevonden.

Tussen

onkruid, in de schaduw, niets wat om

zoveel

ruimte heeft gevraagd. Die vult zich dus vanzelf

met dromen. Er wil een klein en

vriendelijk

konijn in komen, een grijze reiger, te

vermoeid om vleugels uit te slaan. En nog wel

meer, dat toch verdwijnt wanneer wij

verdergaan.

Een kwart eeuw na de eerste publicatie blijkt dit gedicht een scharnier in het oeuvre van Van Deel. Vanaf Klein diorama raken zijn verzen onthecht van de anekdotiek die zijn vroege werk beheerste. In `Diergaarde' lijkt nog een heuse ervaring te worden verhaald, maar tegelijkertijd maakt dit gedicht al het `vacuüm' zichtbaar dat in zijn latere poëzie het thema werd. Rutger Kopland heeft dat vacuüm beeldend verwoord toen hij stelde: `Er is niets dan leegte die wij vullen met hersenspinsels, dat is Tom van Deels meest essentiële ervaring, die in ieder gedicht aan andere gegevens opnieuw wordt gedemonstreerd.'

Na Klein diorama hield de dichter zich twaalf jaar stil. Maar toen hij in 1986 Achter de waterval publiceerde werd duidelijk dat Van Deel zich intussen de precisie van een horloge had eigengemaakt. En ook zijn vogelaarsblik leek aangescherpt. Dat leidde tot een twintigtal poëtische juweeltjes.

Achter de waterval werd in 1987 bekroond met de Jan Campertprijs, maar die erkenning bracht Van Deel allerminst op hol. Een jaar later verscheen zijn Gedichten 1969-1986, waarin ook twee minibundels – Gedichten bij tekeningen (1974) en Griekse cyclus (1977) – werden ondergebracht, maar daarna hield hij zich weer een decennium op de achtergrond. En opnieuw blijkt `mondjesmaat' een garantie voor precisie en kwaliteit. Ook in zijn nieuwe bundel Nu het nog licht is, brengt Van Deel het minieme, nauw zichtbare onder woorden. Tastend maar exact formulerend, en ook speels soms, zoals in het titelgedicht met allusies op Alice in Wonderland:

Nu het nog licht is zou ik graag

een ander willen zijn, een haas

die zich een hoed opzet en man wordt.

Door de spiegel wil ik gaan, raadsels

van aangezicht tot aangezicht

bezien, en weten dat ik niet alleen

een haas ben maar in 't licht van deze

spiegeling een man met hoed, een ander

dan men kent, niet bang voor jagers

of voor strikken, mijn eigen jager zelfs,

mijn eigen strik verschijnt daar

in het licht als man met hoed.

Ook de vaderlandse letteren zijn in deze bundel een vertrekpunt voor poëzie. In `Epithalamion' treedt Van Deel in de sporen van Vondel en Cats. Het huwelijksbeeld van twee op elkaar aansluitende schelpen krijgt hier een kritische herformulering. Het vers zet elliptisch in: `Twee schelpen wordt er wel gezegd / die ooit aaneen ooit vanelkaar maar / nu ten slotte.' Dan volgen zeven regels bespiegeling over het misschien wel narcistische karakter van het ideale partnerbeeld. En in de slotregels wordt het breekbare karakter van het huwelijk bevestigd in een fraaie paradox: `Twee schelpen ja / maar twee in hoogst verrukt onpassen.'

Zo voortbouwend op de klassieken reikt Van Deel, denk ik, zelf naar de poëtische canon. Het verrassende van verzen als `Epithalamion' is dat het gedicht in al zijn doorwrochtheid toch de schijn van eenvoudige formulering behouden heeft. `Onpassen' is een neologisme, maar van het begrijpelijke soort. Voor minder geschoolde lezers kan hooguit de titel problemen opleveren. Bij lezing van `Anadyomene' is nuttig om te weten dat het om een bijnaam van Venus gaat. Maar voor die kennis levert Van Deel al in de eerste regels de sleutel: `Gedichten, zoals men weet, worden geboren / uit schuim...'

Niet alle gedichten in Nu het nog licht is zijn trefzeker. De `In memoriam'-verzen ontstijgen ternauwernood het cliché van de laatste groet. Maar daartegenover staan hoogtepunten als `Val' en het Escher-achtige `Trap':

Ook een trap is een weg. Hij gaat

omhoog en dus verder, maakt bochten

die niet zijn voorzien maar passen

bij hoe het gebouw is bedacht. Wie

omkijkt lacht om de diepte waaruit

hij omhoog is gekomen, wuift tranen

weg in de ruimte met deuren open of

dicht. Wat is dit voor route? Waarom

die met zoveel hartstocht afgelegd?

Uit de hemel stroomt het bloed waar

het gaan kan naar boven terug. Er is

geen ander, beter plan dan de trap

die leidt naar gangen waar nog niemand

van weet.

Alleen al de eerste zin: `Ook een trap is een weg.' Of de sprankelende inzet van het gedicht `Mondriaan': 'Dit is geen boom, dit is het metrum / van de boom.'

Van Deel gunt de lezer zijn vogelaarsblik. En die is gul.

T. van Deel: Nu het nog licht is. Querido, 30 blz. ƒ35,–