Foute tempelbouwer

In de afhandeling van de Tweede Wereldoorlog, zoals die de laatste jaren op gang kwam met onder meer verzoeken om smartengeld en teruggave van geroofd geld en kunst, past ook het geval Willem Mengelberg. Over hem verscheen dinsdag een halve biografie, een proefschrift van Frits Zwart over de periode 1871-1920. Samen met het vervolg moet deze studie leiden tot de eerste complete biografie van Mengelberg, de beroemdste musicus die Nederland heeft voortgebracht.

Na Mengelbergs dood in 1951 in zijn Zwitserse Chasa Mengelberg, waar hij zijn leven sleet na het dirigeerverbod dat hem wegens zijn pro-Duitse houding was opgelegd, verschenen nog slechts twee boekjes over hem. Het ene was van Wouter Paap (1960), het andere een door veel persoonlijke herinneringen gekleurde levensschets Over Willem Mengelberg (1971) van zijn vertrouwelinge Elly Bysterus Heemskerk, orkestlid van 1914 tot 1951. Verder werd Mengelberg vrijwel genegeerd.

Een ommekeer daarin kwam pas met een expositie in 1995. Toen werd herdacht dat Mengelberg een eeuw eerder aantrad bij het Concertgebouworkest en dat 75 jaar eerder het geheel door Mengelberg gedirigeerde Mahler Feest was gehouden. De tentoonstelling over Mengelberg vond plaats in het Haagse Gemeentemuseum, waar ook het Mengelberg-archief wordt bewaard, beheerd door biograaf Frits Zwart. Daardoor bleef Mengelberg zelf, die het muziekleven in ons land vanaf 1903 verrijkte met een unieke Mahlertraditie, tijdens het Mahler Feest in Amsterdam uit het zicht.

Dat Mengelberg zich tijdens de bezetting neerlegde bij een verbod op het uitvoeren van joodse muziek – en dus ook die van zijn vriend Mahler – is slechts één van de vele ongerijmdheden in Mengelbergs persoonlijkheid. De autoritaire orkestleider kon bijvoorbeeld in veel minder democratische tijden dan nu geen orde houden tijdens repetities, zelfs niet met standjes en boetes, die door de aanwezige administrateur werden bijgehouden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog toonde Mengelberg zich zeer toegeeflijk ten opzichte van de bezetter. Mengelberg trad op voor rijkscommissaris Seyss-Inquart en dirigeerde in Duitsland en Oostenrijk. Hij zette zich wel in voor de joodse orkestleden, maar die werden uiteindelijk toch ontslagen, terwijl Mengelberg en de rest van het orkest doorspeelden. Ook andere Nederlandse musici en dirigenten (zoals Van Beinum en Flipse) gingen door, maar minder en werden dan ook minder hard bestraft.

Vereerd, verafgood en verguisd, vervolgens vergeten, voorzover niet veracht, bespot wegens zijn coupures in Bachs Matthäus-Passion en misprezen om zijn vermeende – zelden actief beluisterde – zwaar romantische musiceerstijl. Zó zijn leven en nagedachtenis van prof. dr. Mengelberg samen te vatten. De lotgevallen van delen van Mengelbergs nalatenschap zijn illustratief. De aan Mengelberg geschonken partituur van Mahlers Tweede symfonie – Nederlands cultuurbezit bij uitstek – werd samen met andere belangrijke musicalia verkocht ten bate van het onderhoud van de Chasa. Vrijwel de hele nalatenschap van Bysterus Heemskerk met tal van Mengelbergiana, na haar dood aanwezig in haar huis, werd op straat gezet als grof vuil.

Die achteloosheid is het complement van het vijftig jaar lang in tal van opzichten vergeten van de materiële belangen van de slachtoffers van de oorlog. Na de zuivering in de late jaren veertig verdween vrijwel elke interesse voor de bijzonderste foute Nederlander. Willem Mengelberg, bijna vijftig jaar de wereldbefaamde dirigent van het Concertgebouworkest dat hij vanuit bijna niets glorie bezorgde, was voor de oorlog de beroemdste en meest vereerde Nederlander. Na koningin Wilhelmina dan, is men nu geneigd te zeggen. Al zag de egocentrische en autocratische Mengelberg zelf dat wellicht anders. Na een galaconcert in Brussel in 1900 schreef Mengelberg aan zijn verloofde Tilly Wubbe: `Het concert slaagde gisteren heel goed, alles ging erg mooi zoodat ik en hare majesteit zeer tevreden waren. In de audiëntie was de Koningin zeer lief voor mij (...)'. Mengelberg voelde zich zij aan zij met de koningin. Twee jaar eerder had hij muziek geschreven voor haar inhuldiging van in de Nieuwe Kerk, de koningin kwam hem beluisteren in het Concertgebouw en zijn muziek zou ook haar huwelijk opluisteren.

Dat Mengelberg het goed kon vinden met de niet in muziek geïnteresseerde Wilhelmina was een van de bewijzen dat hij een `ladies-man' was. Of liever een `Frauen-Mann'. Want Mengelberg – afkomstig uit een roomse Duitse kunstzinnige familie en opgeleid aan het Keulse conservatorium – dacht en sprak vaak in het Duits. Kort na zijn aantreden in Amsterdam vonden de dames onder het Concertgebouwpubliek de nog slechts 24-jarige dirigent `snoezig'. Vrouwen keken toen erg op tegen bijzondere mannen. Mevrouw Diepenbrock schreef over Arnold Schönberg, door Mengelberg naar Amsterdam gehaald: `Er wordt zóó veel verschrikkelijks van hem verteld als verwoester van alle muziektraditie, dat hij ons erg meeviel. Het is een aardig, geestig ventje, bewegelijk maar niet vermoeiend, soepel en bescheiden.' Nog in de jaren tachtig sprak Jo Vincent, die in 1942 wel stopte met openbare optredens, vertederd over Mengelberg als `mijn Mengeltje'.

Dat Mengelberg met het dirigeerverbod ook zijn koninklijke onderscheidingen waren afgenomen, trof hem diep. Hij hechtte aan openbare erkenning en liet toe dat hij in een gedenkboek ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum werd betiteld als `Willem Imperator Rex'. Het was de titel van de Duitse keizer, die na de Eerste Wereldoorlog onderdak had gevonden in het neutrale Nederland. Net als de voormalige keizer Wilhelm vond Willem Mengelberg zijn einde in een neutraal land: Zwitserland.

Dat treurige, eenzame einde van de ziekelijke Mengelberg moet Frits Zwart nog beschrijven in het tweede deel van zijn biografie over de periode 1920-1951. Het eerste deel, eindigend met een weinig opzienbarende `Voorlopige balans' is vooral een weergave van feiten over Mengelberg, waarvan de vindplaatsen zijn verantwoord in 1588 noten.

Als basis voor de nog komende beschrijving en beoordeling van Mengelberg in de jaren '40-'45 is het interessantste daarin het uitvoerige relaas van zijn pro-Duitse houding in de Eerste Wereldoorlog. Mengelberg bleef als voorheen in Frankfurt dirigeren, maar tekende ook een pacifistisch manifest. Wie Fasseurs biografie van Wilhelmina heeft gelezen, ziet daarin een weerspiegeling van de praktisch onhoudbare Nederlandse neutraliteit.

Wereldniveau

Al hanteert Zwart geen strikte chronologie en concentreert hij zich telkens op één thema, toch is zijn biografie eerder een beredeneerde inhoudsopgave van het Haagse Mengelbergarchief dan een tot de verbeelding sprekend leesboek.

Bij Zwart staan in de tekst te veel details over nauwgezet genotuleerde vergaderingen over concerten, programmering, problemen, engagementen, conflicten, ontslagen, de oorlog met het Haagse Diligentia en de vijandschap met het Residentie Orkest, waarheen rebellerende orkestleden waren vertrokken. Tekenend is het overigens wel, zo'n briefje over de vraag welke paukenist moet worden aangenomen, Unger of Pennaerts. De Duitser Unger is goed, maar Pennaerts is een Hollander en ook goed. Pennaerts is netter dan Unger, maar Unger is ook fatsoenlijk en wil het eventueel goedkoper doen dan Pennaerts.

Zwarts boek is een nauwgezet samengesteld dossier. Daaraan was behoefte. Want het muziekleven was toen onrustiger en opwindender dan nu. Mengelberg haalde Mahler, Strauss, Debussy en Schönberg naar Amsterdam. Hij dirigeerde in Amsterdam tot ongenoegen van de weduwe Wagner de eerste Parsifal buiten Bayreuth (de `Graalsroof'). Hij veroorzaakte ophef met de verdeling van gunsten en toorn over de Nederlandse componisten als Diepenbrock, Dopper en Vermeulen.

Met bijzondere muzikale talenten, maar ook bijzonder weinig serieuze wapenfeiten op zijn conto kreeg Mengelberg nog voor zijn 25ste in Amsterdam een unieke kans. Hij vond zichzelf toen al geniaal en dat bewees hij. Hij verhief het Concertgebouworkest tot wereldniveau, net als zichzelf. Hij dirigeerde al snel van Moskou tot New York, van St. Petersburg tot Napels. Zonder zijn bijna vijftigjarige bewind zou het Concertgebouworkest ongetwijfeld zijn geleid op een wisselvallig en middelmatig niveau.

Maar juist in het geval Mengelberg verlangt men naast al die feiten naar een visie, gebaseerd op een probleemstelling, een onthullend inzicht, een consistentere beschrijving en analyse van de persoonlijkheid van deze intrigerende kunstenaar. Voor wie het wil zien, valt slechts een enkel ding op zijn plaats. Zo klaagden musici dat Mengelberg hen zo vaak bedreigde: `Eén kan het bederven!' Dat lijkt zijn oorzaak te vinden in een traumatiserend incident in 1891, toen de conservatoriumstudent Mengelberg in Keulen op het klokkenspel mocht meespelen in Don Juan onder leiding van de toen al beroemde Richard Strauss en Mengelberg een beschamende fout maakte.

Wat we te weinig levendig beschreven krijgen is de echte Mengelberg in Amsterdam, zijn plaats in het geheel van het Amsterdamse kunstleven, hoe hij zich bewoog binnen en buiten de muziektempel aan de Van Baerlestraat, gesticht door een NV van vermogende particulieren, toen nog gloednieuw, gebouwd in de weilanden achter het Rijksmuseum, terwijl daaromheen een woonwijk ontstond voor de gegoede burgerij. Dat is nog altijd de biotoop van het Concertgebouworkest.

Frits Zwart: Willem Mengelberg. 1871-1920. Prometheus, 487 blz. ƒ59,90