Een mythe ineen mooie jurk

Jean-Auguste-Dominique Ingres (1780-1867) kreeg al jong vioolles van zijn vader. Toen hij, elf jaar oud, in Toulouse aan de academie voor beeldende kunst ging studeren, beheerste hij het instrument zo goed dat hij werd gevraagd voor het orkest van de stad. Hij schilderde nog beter. Het zegt veel over zijn latere roem dat juist die liefde voor de muziek spreekwoordelijk zou worden. De violon d'Ingres, tot op de dag van vandaag is díe bezit van iedereen die, min of meer in het geheim, een tweede passie uitleeft.

Portraits by Ingres - Image of an Epoch, The National Gallery, Londen, tot 25 april 1999; dagelijks 10-17.55u, wo. tot 21.55u, catalogus £45 (gebonden), £28 (paperback).

De jonge schilder had het instrument bij zich, toen hij in 1806 naar Rome vertrok. Om vooral veel schilderijen van Rafaël te kunnen zien reisde hij over Milaan, Bologna en Florence, en je zou willen weten hoe de muziek klonk die hij op zijn kamer in de herbergen heeft gespeeld. Niet erg vrolijk waarschijnlijk. Hij was 26, en op zijn eerste grote tentoonstelling in de Parijse Salon had hij nauwelijks reacties ontvangen. Pas in Rome kreeg hij de kritieken. Het werd hem vooral kwalijk genomen dat er op zijn voorstellingen geen schaduw te bekennen was. Bovendien waren zijn modellen, volgens de kritiek, in zoveel krullende draperieën gehuld dat de ene stof nauwelijks van de andere was te onderscheiden.

In Rome studeerde Ingres verder aan de Franse academie. Daar ontmoette hij veel landgenoten. Hij zag nog meer Fransen toen de stad in 1808 door het leger van Napoleon werd bezet. Voor Ingres naar Rome vertrok, had hij de keizer al twee keer geschilderd, eerst als consul, en daarna, onder invloed van zijn leermeester Jacques-Louis David, in vol ornaat met kroon en hermelijnen mantel.In 1814 zou hij nog een ander lid van de Napoleontische familie schilderen. Gekleed in het zwart staat de koningin van Napels, Caroline Murat, voor de rokende Vesuvius. Een jaar later zou het rijk van haar broer ineenstorten.

De portretten waren voor Ingres niet het belangrijkst. In navolging van zijn grote voorbeeld Rafaël ging zijn hart uit naar de historische scène en de allegorie. Een bekend voorbeeld is Oedipus en de sfinx, in het bezit van het Louvre, een doek dat Ingres twee jaar na zijn aankomst in Rome schilderde. Het werd hem al gauw duidelijk dat hij van deze verhalende voorstellingen niet kon leven. Hij moest wel naar opdrachten voor een portret gaan zoeken. Dat was met al die Fransen in de stad niet moeilijk.

Hij zou tot 1820 in Rome blijven. Daar maakte hij zoveel portretten dat de allegorie voor hem zelf in een violon d'Ingres veranderde, een passie die op de tweede plaats kwam. Toch leidde vooral het getekende portret hem naar een aantal ontdekkingen, misschien omdat hij niet werd gehinderd door een verhaal.

In Rome maakte Ingres kennis met de familie van de Fransman Charles Hayard, een handelaar in kunstbenodigdheden. Hij tekende de vier dochters. Het portret van de zestienjarige Jeanne is het mooist. Ze kijkt ons uit 1815 net niet streng aan. De ernstige blik wordt door de aanzet van een glimlach verzacht. Ingres heeft het gezicht volledig uitgewerkt, zoals hij dat op een schilderij zou hebben gedaan. Met de rest van het portret gunde hij zich de vrije hand. Het is of Jeanne met tegenzin voor hem heeft geposeerd. Vooruit dan maar, doe het vlug, ik moet zo weg. Losse lijnen, een en al beweging, waarom kom je nou ineens zomaar binnenlopen. Niks Napoleon of Oedipus, schiet nou op, ik heb m'n hoed al in m'n handen.

Beweeglijk

Misschien heeft Ingres ook de nadruk op het gezicht gelegd omdat kleding, als je met iemand praat, altijd een beetje vaag blijft. Op alle getekende portretten zie je de tegenstelling. Het scherpe gezicht van Marguerite, de jongere zus van Jeanne, boven een paar lijnen jurk. Zelfs het kapje op het hoofd van Jeanne-Susanne, de moeder van de meisjes, is ijl. Nauwkeurig en beweeglijk, zo tekende Ingres in Rome zijn opdrachtgevers. De tekeningen hangen tot 25 april op een tentoonstelling die de National Gallery in Londen aan Ingres heeft gewijd. Je zou daar ook de naakten verwachten die hem tot een ster van het Louvre hebben gemaakt: De baadster van Valipçon uit 1808, De grote Odalisk uit 1814 en Het Turkse bad uit 1862, het late meesterwerk dat Ingres voltooide toen hij 82 was.

Die zijn er niet. De National Gallery heeft voor het portret gekozen, 42 schilderijen, 101 tekeningen en 22 studies. Zo krijgt de schilder met Portraits by Ingres ten slotte de tentoonstelling die hij moet hebben gevreesd. Geen Christus die de sleutels aan Petrus geeft, geen aankomst van Karel de Vijfde in Parijs, geen eed van Lodewijk XIII, geen verheerlijking van Homerus, geen Theseus, geen aartsengel, geen Venus, geen heilige maagd, niemand speelt in Londen een rol in een door Ingres geliefde mythe. Alleen maar edellieden en burgers die voor hun portret goed hebben betaald.

Had Ingres werkelijk zo'n hekel aan zijn getekende portretten? Niet alleen op de tekeningen van de familie Hayard wemelt het van de kleine krachten. Steeds zo'n uitgevuld gezicht boven de zachte lijnen van een laken dat op het punt staat in een andere vorm te schieten, boven een japon die je bijna hoort ruisen, boven zo'n rij knoopjes van een jas, net moet er een zijn losgesprongen, `t is of je die beweging ziet.

In 1819 tekende Ingres de virtuoze violist Niccol= Paganini met de kast van de viool half verborgen onder zijn jas. Twintig jaar later, toen Ingres na verblijven in Florence en Parijs voor de tweede keer in Rome was gaan wonen, maakte hij kennis met Franz Liszt. Ingres was nu directeur van de Franse Academie, gevestigd in de Villa Medici. Daar ontving hij de 27-jarige componist, die in gezelschap was van gravin Marie d'Agoult. Ze was zwanger van hun derde kind.

,,Weet je dat Ingres nogal goed viool speelt?'', schreef Liszt aan een vriend. Ze waren van plan `de hele Mozart en de hele Beethoven' door te nemen en dat plezier spat af van het portret dat Ingres met potlood en wat witte verf van Liszt maakte. Het heeft veel van een kiekje, er laat zich van alles omheen vermoeden, hij staat er min of meer toevallig, misschien net met de gastheer muziek gemaakt, zijn vrouw op het punt van bevallen, het werd een zoon, Daniel, tien dagen voordat ze weer uit Rome vertrokken.

Dit terloopse, met het grappige verschil tussen hoofd en kleren, is een bewuste keuze, zo vaak komt het op de tekeningen voor. Je denkt dat het dan ook wel een eigenschap van de geschilderde portretten zal zijn. Daar ontbreekt het zo goed als volledig. Ingres heeft de kreukels weggestreken. Wat op zijn tekeningen vrolijk wegspringt is weer in het gelid geroepen.

Keurig

Ruim zes decennia, tot zijn dood in 1867, schilderde Ingres de keizers, koningen, prinsessen, gravinnen en andere notabelen van het Franse rijk. Hij deed dat op een manier die ook toen al een beetje al te keurig moet zijn overgekomen. Belangstelling voor het verfgeweld van nieuwlichters als Daumier, Millet en Corot had hij nauwelijks. Zijn grote voorbeelden bleven de verhalen van Rafaël en David.

Wat een verschil met de portretten van dezelfde eeuwige types die de iets oudere Francisco Goya aan het Spaanse hof maakte. Bij hem denk je hoe is hij in vredesnaam weggekomen met die openlijke mengeling van macht en domheid op een gezicht. Met een portret van Ingres moet iedere opdrachtgever diep tevreden zijn geweest, zo voornaam en vooral geslaagd werd hij afgebeeld. Wie zich wat langer onder deze negentiende-eeuwers begeeft, ontdekt toch nog iets anders, als op een receptie wanneer de aanleiding voor de bijeenkomst is geluwd.

In 1810 schilderde Ingres de bevriende architect Jean-Baptiste Desdéban, die hem in Rome opzocht. Hij is een van de weinigen van wie de kleding er niet glad uitziet. Het witte hemd is gekreukeld en de roodbruine jas is zo sleets geruwd dat je er met een vingertop overheen zou willen strijken. Met zijn vriend Desdéban gunde hij zich nog meer. Het haar, de jas en de achtergrond hebben alle drie dezelfde kleur, net of Ingres met de speelse herhaling van het woeste roodbruin zichzelf een plezier wilde doen.

Hij werkte vrijer met vrienden en beminden. De jurk van zijn vrouw Madeleine schilderde hij in 1814 ook niet egaal. De vouwen en kreukels zijn de verfstreken zelf. Waarom wordt in de catalogus van Portraits by Ingres beweerd dat het doek niet af is? Hij werkte nauwgezet en moet, net als op zijn tekeningen, voor het slordige hebben gekozen.

Zo verleidt de expositie je tot een eigenaardige speurtocht. Om de techniek van Ingres gaat het dan al lang niet meer. Hij is minstens zo virtuoos als Paganini. Je zoekt alleen naar de ogenblikken waarop hij de man of vrouw die tegenover hem zit geen compliment meer wil maken, naar een te brutale oogopslag of een hopeloos op een jurk rustende arm.

Je bent op weg naar bijzonderheden die door de algemene vleierij wel op het tweede plan moesten komen. De hals onder het opgestoken haar van de gravin Othenin d'Haussonville, geboren als prinses Louise-Albertine de Broglie, is in de spiegel net enkele graden doffer dan de werkelijke huid. De jas van een jeugdvriend bestaat uit overvloedig aangeraakt fluweel. Ingres heeft het zelfs aangedurfd om onder de schoenen van Napoleon Bonaparte, toen nog net geen keizer, een kleed te leggen waarin door de vele stappen weerspannige kruintjes zijn gedraaid. Daarboven glimt de consul in zijn rode pak alsof er door zijn toedoen nooit iets kapot kan gaan.

Enkele figuren beginnen zich uit Ingres' tableau de la troupe los te maken en die zijn meestal niet van adel. De Zwitserse Jeanne Gonin kijkt van onder haar dikke oogleden zo onweerstaanbaar dat het lijkt of ze zelf met die blik maar wat schoonheid wil toevoegen aan haar onregelmatige gezicht. Even verder zit Louis-François Bertin op een simpele stoel. Ingres kon jaren geen houding voor de krantenmagnaat vinden tot hij hem in 1832 onder een lunch met zijn handen op zijn knieën zag zitten. Dat was het. Zo zit Bertin er nu nog met een kop of hij zijn portret nog steeds tijdverspilling vindt.

Toch blijft wat de dichter Max de Jong `de pose der natuurlijkheid' noemde zeldzaam bij Ingres. Zijn werk wordt wel neoclassicistisch genoemd, en die kille term past goed bij zijn tekort. Een huid van Ingres ademt niet, maar lijkt eerder van marmer te zijn.

Dan is daar gravin de Senonnes, Rome, 1814, plotseling, op een van de kortste wanden. Ingres wil meestal niet te dichtbij komen uit vrees iets verkeerds te zeggen. De afstand tot de gravin de Senonnes, geboren in 1783 als Marie Geneviève Marguerite Marcoz, is groot. Zij zit voor een spiegel en hoort bij de al genoemde gravin Othenin d'Haussonville. Ook het tweeluik met de zittende en staande madame Moitessier – aan haar heeft The National Gallery een hele zaal gewijd – is met de Senonnes verwant.

Is het een portret in opdracht? Dat moet haast wel. En toch ontbreekt het ontzag waarmee Ingres de twee andere vrouwen tientallen jaren later benadert. Zelfs het speelse op de portretten van Madeleine en Desdéban krijgt hier geen kans.

Ingres heeft een kaartje met zijn naam in de spiegellijst gestoken, net of zijn signatuur dit keer heel duidelijk moet zijn. Waar tekent hij voor? Verscheidene ringen om de vingers. Een roodfluwelen japon. Een gazen bovenstuk dat over de schouders uitloopt in een kraag.

En hij tekent voor een gezicht dat zich van de negentiende eeuw losmaakt, van Rome en Napoleon, van het bezoek van Franz Liszt en de gravinnen met een dubbele naam, van alles wat voor een eeuw kenmerkend kan zijn. Het ging Ingres niet meer alleen om de gelijkenis van Marie de Senonnes. Er moet hem iets groots voor ogen hebben gestaan, als Oedipus en de sfinx of De grote Odalisk, de vrouw met het driekwartsprofiel die ons vanaf haar sofa in het Louvre aankijkt. Iets tussen een portret en een verhaal in.

De portretten in The National Gallery zijn met die trouw nagebootste gezichten diep in de negentiende eeuw verankerd, op dit schilderij na. Het staat dichter bij een zelfgekozen mythe dan bij een opdracht. De aartsengel, een paard met vleugels of een god in de wolken, die mocht hij dit keer niet gebruiken. Daar nam zelfs de vrijgevochten gravin vast geen genoegen mee, het bleef een portret. Dan maar iets eenvoudigs, hij hoefde het haar niet eens te vertellen. Hij dacht aan het onbekende gezicht dat soms opduikt, op een bijeenkomst of zomaar op straat en weer verdwijnt terwijl het in de verte alles bevat. Misschien was dat dit keer genoeg.