Een geniaal schrijver

Slechts één vraag dient de literaire kritiek te beantwoorden: wat is de betekenis van literatuur, voor ons, nu? Zevende deel van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Dit verhaal vertelt zichzelf.

In een ziekenhuis in Genua ligt de 52-jarige schrijver en accountant Franco de Longis. Hij heeft zichzelf twee weken geleden met een Smith&Wesson geweer door zijn hoofd geschoten - net als de hoofdpersoon van zijn laatste roman, Il cerchio (De cirkel). De Longis ligt in coma. De artsen geven hem geen kans.

Waarom deed hij het? Op het moment van zijn zelfmoordpoging zond de lokale televisie een interview met De Longis uit, waarin hij persberichten toonde met een citaat uit de Herald Tribune, die hem voorstelde als de grootste levende schrijver van Italië. Van Il cerchio, dat gaat over de laatste dagen van een ongeneeslijk zieke man, waren in Italië alleen al vier miljoen exemplaren verkocht, in de Verenigde Staten nog eens zeven miljoen. Paginagrote advertenties citeerden Die Zeit, Le Soir, El Mundo en The Times: De Longis is een genie, De Longis moet de Nobelprijs krijgen, De Longis is `de zoon van Leonardo Da Vinci'.

Allemaal verzonnen.

Daarom deed hij het.

De lofzangen op zijn roman waren door De Longis zelf geschreven. De advertenties zijn door hem zelf aan de kranten aangeboden. In werkelijkheid zijn er van het boek veertigduizend exemplaren verkocht. Ook niet gering, alleen zijn ze vrijwel allemaal door de klanten van de accountant De Longis afgenomen, die relatiegeschenken van culturele waarde tot tienduizend lire mogen aftrekken. Het boek kost dan ook precies dat bedrag. Heel wat werknemers in Genua hebben afgelopen jaar Il cerchio in hun kerstpakket aangetroffen.

Zonder die zelfmoord zou het satire geleken hebben, een practical joke die de excessen van het literaire circus belachelijk wilde maken. Dat zou leuk geweest zijn, maar geen nieuws. De Longis wilde niets ontmaskeren, niets op de hak nemen. Hij wilde echt een geniaal schrijver zijn. Het neemt me voor hem in, die nietsontziende drang om beroemd te worden. Ik vind dat sympathieker dan de schrijver die in het Amsterdamse café De Zwart tegen iedereen die het horen wil verklaart dat hij helemaal geen lezers wil hebben.

Vanaf de foto bij het artikel in de Italiaanse krant kijkt De Longis je met grote ogen aan. Zijn vlezige gezicht straalt een gretige waanzin uit. Waarom juist literaire roem, vraag ik me af. Meer dan vijfentwintig boeken schreef hij, proza en poëzie. Maar wat een cliché van het schrijversschap! Een aanstaande winnaar van de Nobel-prijs èn een miljoenenoplage; in de geschiedenis van de wereldliteratuur is dat alleen Pearl S. Buck gelukt - en waar is die nu? Het beeld dat De Longis van zichzelf schept, is opgetrokken uit trefwoorden, die onbedoeld als parodie werken. Juichkreten in de internationale pers, loze kwalificaties (`de zoon van Leonardo da Vinci'; schreef die dan romans?), de slagzin dat Il cerchio in dertien landen op de bestsellerlijsten stond en niets, helemaal niets over de roman zelf.

Dat is veelzeggend: De Longis etaleerde zich niet als een schrijver met thema's, worstelend met de wereld. Hij is enkel en alleen een Schrijver. Ongetwijfeld wilde hij een persoonlijkheid worden, maar hij schiep een lege huls.

Het is een slogan-taaltje waarmee iedere lezer inmiddels vertrouwd is. Taal waar je gemakkelijk doorheen kijkt - maar wat zie je dan? Dat in het schrijven en praten over literatuur de woorden losgeraakt zijn van hun betekenis. Er zijn nog heel veel oude woorden in omloop, echo's - meesterwerk, meeslepend, mooi - maar ze zweven maar een beetje om de boeken heen. Ze verwijzen naar een gevoel, ze brengen het niet meer over.

Er is de laatste tijd in Nederland discussie ontstaan over taak en kwaliteit van de literaire kritiek. Er wordt geklaagd over hoe de de uitgebreide, bezonnen kritiek langzaam maar zeker heeft plaatsgemaakt voor de snelle, impressionistische recensie, geschreven in hetzelfde taaltje dat De Longis zich heeft toegeëigend om zijn eigen roman de literatuurgeschiedenis in te schrijven. Er wordt gezwaaid met statistieken, waaruit zou blijken dat er minder en minder mensen lezen, en dat de enige groeiende groep lezers, vrouwen van boven de vijftig, zich niets van de literatuurkritiek aantrekken in hun onstuitbare hang naar sentimentele pulp.

Maar die discussie leidt nergens toe, omdat niemand de hamvraag durft te stellen. Die is dan ook beschamend simpel: wat is de betekenis van literatuur, voor ons, nu?

Die vraag is in het verleden honderden keren beantwoord, maar hij moet telkens weer opnieuw gesteld worden. Door de kritiek, door schrijvers, door lezers. Dat zelfonderzoek gebeurt in de toneelkritiek, in de beeldende kunstkritiek, het gebeurt overal, maar niet in de literatuur. Het is helemaal niet de taak van de criticus om te beweren of een roman goed of slecht is. De literatuurkritiek moet doen wat ze altijd al moest doen: op een zo authentiek mogelijke manier schrijven over wat een boek wil en wat dat boek volgens de criticus uiteindelijk doet. Ik weet hoe gevaarlijk huiselijk het klinkt, maar waar ik benieuwd naar ben is hoe een criticus zijn ervaring met een boek zo nauwgezet mogelijk beschrijft en overbrengt. De taal van de criticus verdraagt geen reclametaal, dat is duidelijk, maar ook geen loze academische frases, geen tekstwetenschappelijke stoplappen of geleende abstracties.

Het is geen kwestie van de traditionele doorwrochtheid die plaatsmaakt voor hedendaagse oppervlakkigheid, gedegenheid tegenover cabaret. Ook onzin is het te beweren dat er over nieuwe literatuur geschreven moet worden, zoals bijvoorbeeld Kees Fens dat dertig jaar geleden deed. De literatuur verandert, dus ook de literatuurkritiek.

Wat telt is persoonlijkheid. Dat geldt voor schrijvers en voor critici. Voor lezers trouwens ook. Als in onze cultuur iets opvalt, is hoe hartstochtelijk de authentieke ervaring wordt nagejaagd. Niets liever dan van buitenaf door iets aangeraakt te worden. Op allerlei gebieden zie je pogingen om woorden die hol dreigen te worden, loze retoriek, opnieuw te echten, zodat hun betekenis ook werkelijk gevoeld kan worden; welke rol speelt de wetenschap in ons bestaan, wat wordt nu precies met het woord cultuur bedoeld. Het eigenaardige is dat juist de literatuur, die je als niets anders het leven kan doen ondergaan, wordt overwoekerd door holle frases en idées reçues. Het is moeilijker geworden op een betekenisvolle manier over die boeken te praten en te schrijven.

Wanneer de vragen niet steeds opnieuw gesteld worden, komt de literatuur los van haar lezers te staan. Het is de taak van de kritiek om over die boeken te schrijven vanuit het domein van de menselijke ervaring. De criticus die werkelijk contact heeft met de boeken waar hij over schrijft, kan overbrengen dat het om levende kunstwerken gaat, die ons leven vorm geven.

En dat boek van De Longis? Ik ben bijna alle boekhandels van Rome afgeweest om een exemplaar van Il cerchio in handen te krijgen, in de hoop ook werkelijk een meesterwerk te ontdekken. Het bleek onvindbaar, niemand die er van gehoord had. De Longis wilde auteur zijn, hij werd een personage.