De geest van de potloodventer

Het Damrak in Amsterdam, ooit bedoeld als grootsteedse boulevard, is verworden tot een van de meest onaangename routes van de binnenstad. Er lijkt maar één oplossing. ,,Het water moet terug.'

,,Hé, psst... Hé, psst', klinkt een schorre mannenstem door het Sex Museum. Bron van het opdringerige geluid is een mechanisch beeld van een potloodventer. De man is klein en een beetje gezet. Hij draagt een vale grijsblauwe regenjas met een dubbele rij voetbalknopen, epauletten en een loshangende ceintuur. Op zijn hoofd een zwarte vilthoed. Na drie keer `Hé psst' te hebben gesist, zwaait hij de panden van zijn regenjas wijd open. Gelijktijdig klapt zijn hoofd naar voren zodat zijn hysterisch starende ogen en kindermondje achter de hoedrand verdwijnen. Op dat moment flitst ook een spotlight aan. Zijn blote onderlijf wordt nu fel beschenen. Een groot, frommelig geslacht met aders die met rode verf nogal bloederig zijn aangezet. Dit beeld wordt ons enkele seconden gegund. Dan slaat de man zijn regenjas resoluut weer dicht en gaat zijn hoofd houterig terug in opgeheven stand. Het schelle licht dooft, een kortstondige duisternis laat hem op adem komen voor zijn volgende vertoning.

Op vrijdagmiddag is het vol in het Sex Museum op het Amsterdamse Damrak. Eenzame mannen, een paar giechelende vriendinnen – boven de achttien? - en echtparen met welgevulde plastic warenhuistassen slenteren zwijgend langs de vitrines vol aandoenlijke en in één achterkamer ook gore pornografie. De meeste voorstellingen zijn weer vergeten als je buiten staat. Alleen het onsmakelijke beeld van de potloodventer blijft hangen en wandelt met je mee als toppunt van het stijlloze karakter dat het Damrak aan deze zijde tussen Centraal Station en de Dam beheerst.

Even verderop tracht een volgende attractie de aandacht te trekken, ditmaal niet met een oud-Griekse, gipsen erectie maar met een donkere spelonk-entree. Het Torture Museum. De bezoeker kan zich hier verlustigen aan historische folterinstrumenten. Tal van afbeeldingen laten zien welke martelingen zijn uitgevonden om ketters, heksen, misdadigers en politiek onwelgevalligen langzaam maar zeker af te maken of een toontje lager te laten zingen.

Een tiental meter verwijderd van de nagebouwde kerker, de wurgpaal en guillotine - nog steeds richting Dam - wordt het bier op de cafétafels van het overdekte terras neergezet door meisjes in minuscule bikini's. Zelfs in de winter zijn zij tot deze bedrijfskleding veroordeeld. De in winterjas gestoken voorbijganger kan vaststellen dat de jongvolwassen dienstertjes op billen, dijen en buik nog niet geheel van babyvet zijn bevrijd.

Weer wat huizen verder, naast de voormalige Cineac - sinds jaar en dag een amusementshal voor boven de 21 jaar - komen wij bij boekhandel Allert de Lange. Een in blauw foudraal gestoken ketting smeedt de handvaten van de glazen entreedeuren aaneen. `Sorry we're closed' staat op de deur geschreven. Eind vorige week viel op de etalageruit ook nog te lezen dat de zaak `wegens inventarisatie gesloten' was. Deze boodschap is nu verdwenen, samen met de berg post die aan de binnenkant op de deurmat lag.

Waarom heeft de legendarische boekhandel en vroegere uitgeverij van exil-auteurs als Thomas Mann, Erich Maria Remarque en Joseph Roth na honderdtwintig jaar het loodje moeten leggen? Omdat op het Damrak de geest van de wijze uil - afgebeeld in de top van de uit 1886 daterende gevel van boekhuis Allert de Lange - is vervangen door de geest van de potloodventer. Of, zoals directeur Wim van Loon het zei in Het Parool: `Ooit was het Damrak een A-locatie. Nu zit je midden tussen seks, gokken en de vette hap. Het Damrak is geen winkelstraat meer, maar een vreetstraat.' De boekenkopers bleven weg. De omzet daalde en zo ging Allert de Lange failliet.

Venetië wat een grootsteedse boulevard had moeten zijn, geflankeerd door monumentale gebouwen, is verworden tot een van de platste en onaangenaamste looproutes van de binnenstad. Het gaat hier natuurlijk niet om Damrak's `oude zijde' waar de historische woon- en pakhuizen van de Warmoesstraat, net als in Venetië, met hun keldervoeten in het water staan. Verderop klinken de Beurs van Berlage en de Bijenkorf als een klok. De oude zijde is in orde.

Dat de architectuur van de `nieuwe zijde', de kant van het Sex- en Torture Museum, eigenlijk ook een sieraad is voor de stad, valt minder op. Buiten de onverteerbare grijze steenklomp van C & A, gebouwd in 1968, en een lelijk, maar onschuldig kantoorgebouw uit de jaren zeventig, zijn alle gevels aan de nieuwe zijde ronduit mooi of cultuurhistorisch bijzonder.

Kijk naar nummer 37, waar eeen uitzendbureau huist en in het souterrain een kapper. Het pand stamt uit 1903, werd ontworpen door J.W.F. Hartkamp jr. en is met de zwierig gebogen vensterkoppen en schattige puntmutsjes op de dakkapellen een van de zeldzame voorbeelden van Art Nouveau in Amsterdam. De voormalige Cineac van het Algemeen Handelsblad, nu Arcade Casino, herinnert met de crèmekleurig gestucte gevel in paarsrode neonlijst aan de Amerikaanse theaterarchitectuur uit de jaren twintig. Op nummer 59 staat een pilastergevel uit 1632. Het reliëf in de geveltop stelt een stapel boeken voor. In het midden van de 17de eeuw woonde in dit huis de historieschrijver, boekverkoper en courantier Caspar Crommelin.

Het meest opmerkelijke gebouw, of liever gezegd gebouwen-duo, een magazijn en een kantoor, werd ontworpen door A.J. Kropholler en J.F. Staal tussen 1902 en 1905 voor de verzekeringsmaatschappij `De Utrecht' (Damrak 26-27 en 28-30). Het magazijn maakt met de eenvoudige puntgevel en de strakke horizontale gevelindeling een heel moderne indruk. Het kantoorgebouw ernaast - de Karnemelksteeg loopt ertussen - lijkt ontworpen door iemand die een beetje de kluts is kwijtgeraakt. Zes kolossale pilasters - nu okergeel geschilderd - dragen een expressieve bovenbouw die met twee afgeknotte geveltoppen wordt beëindigd. Het dak rijst dan nog verder omhoog en er is een hoektortentje met een groenkoperen puntdak. Vooral de impressies die Staal had opgedaan tijdens een studiereis naar New York zouden van invloed zijn geweest op de toen voor Amsterdam ongekende hoogte van het gebouw en de classicistische, pompeuze stijl. De zwart granieten pui, waarachter nu een Blokker-filiaal schuilgaat, draagt vijf beelden van J. Mendes da Costa, voorstellende: de Liefde die beschermt, de Spaarzaamheid, de Wijsheid die het Kwaad bedwingt, de Wisselvalligheid der Tijden en de Waakzaamheid.

Alleen de Wisselvalligheid der Tijden kan nog enigszins worden betrokken op de erbarmelijke staat van het Damrak een kleine eeuw later. De Rode Loper die in het begin van de jaren negentig is uitgerold van het Centraal Station tot aan het Spui heeft uitnodigend gewerkt, maar naar de verkeerde kant. Het brede trottoir van rode tegels waarmee werd gevierd dat de grand boulevard `autoluw' was geworden, werd overdadig voorzien van straatmeubilair. Geen gewone, dat wil zeggen bescheiden lantaarnpalen, banken, prullenbakken en antiparkeer-attributen. Nee, eind jaren tachtig leefde bij de stadsontwerpers de opvatting dat het meubilair van de straat tot kunst moest worden verheven. Sindsdien markeren azuurblauwe en gouden lantaarnpalen - opgebouwd uit ei-, cirkel-, cilinder-, en wiebertjesvormen - de feestelijke bedoelde opmars naar de binnenstad. Met hun speelse inrichting hebben de ontwerpers getracht aan de openbare ruimte amusementswaarde te verlenen. Dat kan in een badplaats weleens iets betekenen, maar de historische binnenstad van Amsterdam - sinds kort beschermd stadsgezicht - vereist een fijnzinniger aanpak.

Autoluw

Op het eveneens `autoluw' geraakte Rokin - dat wil zeggen éénrichtingsverkeer op een enkele rijbaan - is ook van alles in beweging. Het zeker in ons land ongeëvenaarde prentenantiquariaat - sinds 1926 op het Rokin - Bernard Houthakker heeft met de jongste jaarwisseling de deur gesloten. Lodewijk Houthakker, die de kunsthandel van zijn vader voortzette en intussen ook niet meer een van de jongsten is, heeft de zaak overgeheveld naar zijn particulier adres aan de Herengracht. Hij wijdt de verhuizing niet aan de eventueel gedevalueerde plek op het Rokin, maar aan een mengeling van persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden. ,,Vroeger kreeg ik veel klanten door de specifieke bedrijven in de omgeving. Het antiquariaat Erasmus bijvoorbeeld, hier om de hoek op het Spui. Mensen met tassen vol prachtige boeken liepen bij mij binnen. Ik had meer profijt van de aanwezigheid van Erasmus dan van mijn buurman Sotheby's op het Rokin. Maar ja, Erasmus is een pizzatent geworden.' Ook het veilinghuis Sotheby's gaat van het Rokin verdwijnen. Nu nog gevestigd in het in 1904 als Leesmuseum door C.B. Posthumus Meyes ontworpen gebouw, verhuist het veilinghuis in oktober van dit jaar naar de rand van de stad. Zoals zoveel bedrijven heeft het internationale veilinghuis een plek dichterbij Schiphol gevonden, op de Boelelaan achter de RAI. Directeur John van Schayck: ,,De belangrijkste reden van ons vertrek uit de binnenstad is de onbereikbaarheid van ons pand op het Rokin. Je kunt er met de auto niet meer komen. Parkeren is een ramp. Laden en lossen met grote vrachtwagens, voor het veilingbedrijf absolute noodzaak, is op het Rokin een onmogelijke operatie geworden. Alle auto-afhankelijke bedrijven als het onze zullen hier gaan verdwijnen. De binnenstad gaat zich ontwikkelen tot een leuk winkelgebied. Als over een jaar of zes, zeven de Noord/Zuidlijn er ligt, krijgen wij hier op het Rokin een prachtig station voor de deur, met hele diepe trappen, als je al die images mag geloven. Tegen die tijd zal het machtige roodmarmeren gebouw van Mees Pierson hiertegenover waarschijnlijk hotel geworden zijn.'

De geschiedenis van de gerenommeerde kunsthandel Vecht, op het eerste deel van het Rokin dat nog met de Rode Loper is bekleed, lijkt sterk op de dramatische gang van Allert de Lange. Na de eerste wereldoorlog verhuisde de grootvader van Constant Vecht met zijn kunsthandel van de Antonie Breestraat naar een monumentaal pand op het Rokin. Ongeveer gelijk met het verloop van de decennia maakte kunsthandel Vecht op deze prestigieuze plek perioden van grote bloei door en van kommer en kwel. In de nu aflopende jaren negentig heeft de kommer en kwel voor Vecht aan het Rokin te lang geduurd.

Constant Vecht: ,,De omzet op het Rokin is tot nul komma niks gedaald. De reden is het algemene verhaal. De verloedering van Rokin en Damrak spelen een belangrijke rol. De klanten komen er niet meer. Maar er zijn ook andere oorzaken. In de afgelopen tien jaar heeft de kunsthandel zich naar de beurzen verplaatst. Op de drie belangrijkste kunst- en antiekbeurzen, de PAN in Amsterdam, de TEFAF in Maastricht en de beurs in Breda die nu naar Den Bosch is verhuisd, komen twee tot drieduizend mensen per dag. Je mag blij zijn als je die per jaar in je winkeltje krijgt. De veilingen spelen wat ons betreft ook een negatieve rol. Vroeger waren veilingen vooral plekken voor handelaren, maar tegenwoordig kom je er je eigen publiek tegen. Mensen vinden het leuk om zelf op deze manier te kopen.'

Rages

,,Samen met deze ontwikkelingen is de teloorgang van het Rokin de reden dat ik het dáár niet meer kon volhouden. Het is nog niet zo erg als op het Damrak, maar ook het Rokin is een straat van rages geworden, waardoor elke vorm van chique is verdwenen. Hajenius houdt het nog vol. Juweliers als Bonebakker lopen nog, want dat glimt. Maar verder is het een komen en gaan van telefoonondernemingen, zonnebanken, geldwisselaars, reisbureaus. In de winkel naast mij zat eerst de El Al, toen kwamen er lelijke posters. Die waren gisteren ineens verdwenen en hadden plaatsgemaakt voor een handel in wargames. Het is vrijheid-blijheid zonder drempel. Dat is de kunsthandel niet. Daarom ben ik naar de Nieuwe Spiegelstraat verhuisd. De winkel op het Rokin heb ik aangehouden, deels uit emotionele overwegingen. Mijn grootvader zat er, mijn vader. Ik heb mijzelf een jaar gegeven om te kijken of het lukt om nog een andere kunsthandel te interesseren. Maar het liefst zou ik er een klein museum in beginnen met als basis de collecties die mijn vader heeft opgebouwd. Een verzameling schilderijen van Sal Meijer, honderden vroege tekeningen van Melle, een mooie glascollectie die nu in de kelder staat. Als mij dat zou lukken, doe ik toch iets tegen de verloedering van het Rokin. Maar ik ben er cynisch over, hoor.'

In het pand van Lodewijk Houthakker zal de juwelier Premsela & Hamburger zich vestigen. Na het vertrek van Sotheby's krijgt het voormalige Leesmuseum de Amerikaanse kledingfirma Tommy Hilfiger in huis. De laatste heeft nu al een hoekje bij Maison de Bonneterie. Dat zijn nog geen angstaanjagende vooruitzichten.

Wil het Rokin ontsnappen aan de neergang zoals het Damrak is overkomen, dan moet er iets fundamenteels met het straatbeeld gebeuren. Daar is op deze plek maar één oplossing voor. De gracht die in 1936 is gedempt, moet terugkeren. Het water liep van de Lange Brug tot aan de achterkant van gebouw Industria aan de Dam. Grotendeels het gebied dat nu door het eeuwig provisorisch parkeerterrein wordt ingenomen. Stel je het water voor op deze plek - de gracht kan minstens vijftien meter breed worden - dan zie je ineens dat die schitterende gevelwand van Dam tot Spui wordt gevormd door, inderdaad, grachtenhuizen. Alleen dat al is een belangrijk motief om het water hier te laten terugkeren. Zelfs het gebouw van de Optiebeurs, door architect Cees Dam met Italiaanse steen als een palazzo ontworpen, zal ervan opknappen.

Correctie:

Bij het artikel over het Damrak en het Rokin in Amsterdam (CS 19/2) is een

fout gemaakt in de foto-bijschriften. Alle foto's tonen het Damrak.