China voor beginners

Op bladzijde 284 van de roman De kleur van geluk van Wei-Wei besluit de hoofdpersoon, een Chinese vrouw die Meili heet, om eens `uit nieuwsgierigheid' een buitenlands boek te lezen. Ze pakt Oorlog en vrede van de plank, leest er een uurtje in en zet het vervolgens weer terug. De vertelster legt uit waarom Meili het boek niet mooi vond: `Ze kon niet tegen de namen van de personages en tegen sommige psychologische beschrijvingen. Wat zijn die buitenlandse namen lang!, zei ze bij zichzelf.Wij Chinezen hebben namen van twee of drie karakters, die vaak heel suggestief zijn en die je gemakkelijk kunt onthouden. En bij onze klassieke schrijvers vind je nooit van die eindeloze beschrijvingen: een gebaar, een woord, een glimlach of een oogopslag zijn voldoende om de karakters zo weer te geven dat het is of je de personages voor je ziet. Dat is veel levendiger. Teleurgesteld door die eerste ervaring waagde Meili zich niet meer op het terrein van de buitenlandse literatuur...'

Alles wat in deze passage Tolstoj wordt aangewreven, en nog veel meer, kan worden ingebracht tegen De kleur van geluk. Wei-Wei heeft nooit genoeg aan `aan gebaar, een woord, een glimlach of een oogopslag' om haar personages helder neer te zetten. Integendeel, er komt geen einde aan de wijdlopige uiteenzettingen over `wij Chinezen' die zij haar praatgrage personage Meili in de mond legt. Net als zovele andere schrijfsters in het genre van de Chinese-vrouwen-autobiografie, heeft Wei-Wei de neiging om `China' voortdurend uit te leggen aan haar westerse lezerspubliek.

Zij doet dit op een onbeholpen en irritante wijze, die soms echter op de lachspieren werkt, zoals in het volgende fragment, waar Meili aan `Tante Wang' uitlegt hoe ze haar kind van de bof moet genezen: `Ga meteen naar de markt. Koop twee stukken verse cactus. O, weet je niet wat dat is...? Nou, dat is een stekelige plant die ook wel ``hand-van-de-onsterfelijke' wordt genoemd...'

Een cactus heet in het Chinese xianrenzhang en dat zou je inderdaad met `hand-van-de-onsterfelijke' kunnen vertalen. Maar wat zou Meili nu tegen Tante Wang gezegd hebben, in het Chinees? `Koop twee stukken verse xianrenzhang. Weet je niet wat dat is? Dat is die plant die ook wel xianrenzhang wordt genoemd.

Onmogelijk, natuurlijk, maar wat maakt het uit: Wei-Wei is niet geïnteresseerd in het realiteitsgehalte van haar vertelling, zolang ze maar wetenswaardigheden over China kan spuien.

De kleur van geluk is in geen enkel opzicht opmerkelijk. Het is slecht geschreven en slordig uitgegeven: in een van de hoofdstukken verandert Meili zelfs door drukfouten een aantal keren in `Lei-Mi'. Zo gemakkelijk te onthouden zijn die namen van twee karakters dus ook weer niet. Het meest teleurstellende is nog wel dat dit boek is verschenen bij De Geus, de enige Nederlandse uitgeverij die al jarenlang serieus eigentijdse Chinese literatuur in Nederlandse vertaling uitgeeft.

Een veel beter boek is Verlangen, van de Taiwanees-Amerikaanse schrijfster Lan Samantha Chang. Alhoewel bijna alle verhalen in Verlangen over Chinese mensen in Amerika gaan en de problematiek van het aarden in een andere cultuur en het opvoeden van een tweede generatie een belangrijk onderliggend thema is, staat bij Chang de `Chineesheid' in dienst van de literatuur en niet andersom. Bovendien is Chang, anders dan Wei-Wei, wel degelijk in staat om beeldend en suggestief te schrijven. Haar spaarzame stijl komt al in het titelverhaal, dat de lengte van een novelle heeft, tot zijn recht. De vertelster, een net in New York aangekomen Taiwanese die als serveerster werkt, staat oog in oog met een mannelijke klant, die zijn hoed had laten liggen. Bij het teruggeven van de hoed aarzelt zij: `Ik kon hem de hoed niet geven. Mijn handen werden koud; ik kon niet ademhalen. Ik keek naar hem. De storm had zijn haar voor zijn ogen geblazen. Ik kende geen enkele man die zulke zwarte ogen had, de wimpers platgedrukt door de smeltende sneeuw. Ze hadden een uitdrukking van diepe, pijnlijke terughoudendheid. En op dat ogenblik geloofde ik dat ik wist hoe het zou gaan. Als ik de hoed teruggaf, zou ik hem ruilen voor de man die hem droeg.'

Minder dan een halve bladzijde verder zijn de man en de vrouw getrouwd en begint hun verhaal. De man, Tian, doceert viool aan het conservatorium en doet vergeefse pogingen een vaste aanstelling te bemachtigen. Wanneer hij ontslagen wordt, wijdt hij zich met grote bezetenheid aan de vioollessen van zijn opgroeiende dochters, die uiteindelijk beiden een volkomen verschillende relatie met hun vader ontwikkelen. Hoewel vader en dochters centraal staan, is de vertelster de werkelijke hoofdpersoon. Haar heldere observaties van het gezinsleven en haar nauwgezette beschrijvingen in de fragmenten waaruit het verhaal is opgebouwd, maken de lezer deelgenoot aan haar eenzaamheid en isolement, en wekken sympathie voor de wijze waarop zij daaraan veelal vruchteloos probeert te ontsnappen.

Ondanks het relatief positieve einde van het verhaal (na het overlijden van Tian komt de vertelster uiteindelijk min of meer tevreden op eigen benen te staan), is de verteltoon over het algemeen fatalistisch. Deze toonzetting is ook kenmerkend voor de vijf andere, veel kortere verhalen in Verlangen. De relatie tussen de tweede en de eerste generatie (meestal een dochter en een vader) Chinese immigranten wordt in drie van die verhalen verder uitgediept op een kalme, berustende manier, die aan lijkt te geven dat de conflicten die ontstaan niet te voorkomen en amper op te lossen zijn. Het slotverhaal, dat in een heel andere context, namelijk het Shanghai van de late jaren '40, plaatsvindt, geeft een verrassende wending aan het vader/dochter-thema. Dit laatste verhaal toont ook overduidelijk aan dat Lan Samantha Chang in staat is om haar, ongetwijfeld autobiografische, thematiek op originele literaire wijze vorm te geven.

Wei-Wei: De kleur van geluk. Uit het Frans vertaald door Maria Noordman. De Geus, 351 blz. ƒ49,90

Lan Samantha Chang: Chang. Uit het Engels vertaald door Heleen ten Holt. Anthos, 224 blz. ƒ34,90