Chaos, angst en goede bedoelingen

Het leek zo'n mooie oplossing: integratie met behoud van cultuur. Typisch Nederlands: een soort win-win situatie. Ze werd in 1983 geïntroduceerd toen bleek dat de immigranten uit de jaren zestig en zeventig niet terug zouden keren. Vervolgens werden in de loop der jaren de termen `integratie' en `multiculturele samenleving' steeds vaker naast elkaar en door elkaar gebruikt. Maar in toenemende mate werd duidelijk dat deze begrippen vaak tegenstrijdig zijn. Integratie én multicultureel tegelijkertijd? Het veroorzaakt problemen in de praktijk.

Stel, je bent als minister belast met het integratiebeleid. Het is bekend dat imams in Nederland worden aangesteld door het Turkse Presidium van Godsdienszaken (Diyanet) of de Milli Görüs, die nog rechter in de leer zijn. Volgens de BVD preken deze Turkse voorgangers lang niet altijd `integratiebevorderend'. Bovendien fungeren zij niet alleen als voorganger, maar ook als vraagbaak en raadgever in allerlei maatschappelijke kwesties. Maar deze `pendelimams' – die voor vier jaar naar Nederland komen en dan weer terug gaan – spreken geen Nederlands, hebben weinig kennis van de maatschappelijke verhoudingen en geen affiniteit met de zo vurig gewenste op Nederland geörienteerde invulling van de islam. Op veel vragen zullen ze een formeel, rechtsgeleerd antwoord geven.

Dat is vervelend. Daarop wil je als minister graag een beetje controle uitoefenen. Dus schrijf je in de nota Integratiebeleid betreffende etnische minderheden dat de imams moeten worden getoetst en steek je geld in een school om `open-minded' en moderne imams te kweken. Om de integratie te bevorderen, uiteraard. Maar dan stuit je op een probleem: je dreigt de grondwettelijk vastgelegde scheiding van kerk en staat te overschreiden, alsmede de godsdienstvrijheid. De grondwet en de wetten uit de tijd van de verzuiling vormen obstakels voor de bevordering van integratie.

Ander voorbeeld. Op een openbare school is gemengd zwemmen verplicht. Een Marokkaanse vader weigert zijn dochter naar de zwemles te laten gaan, omdat een vers uit de koran zegt dat dit niet mag. Er komt een rechtszaak van. De rechter oordeelt dat de korantekst wel erg ruim is geïnterpreteerd en dat er niet expliciet staat dat gemengd zwemmen verboden is. De Nederlandse wet en het islamitisch recht botsen. Uiteindelijk wint de vader bij de Hoge Raad: die vindt het niet de bedoeling dat de Nederlandse kantonrechter de koran gaat interpreteren.

Apart gemengd

Vier recent verschenen boeken gaan over de vraag of het idee `integratie met behoud van cultuur' failliet moet worden verklaard, over problemen als gevolg van dit beleid en over verschillen tussen het gemengd seculier/christelijke Nederland en de veelal islamitische immigranten. Waar ligt de balans, wie moet inschikken en wie beslist? Integratie betekent, grof gezegd: gemengd zwemmen. Met behoud van cultuur betekent: niet gemengd zwemmen.

Na de gedenkwaardige minderhedennota uit 1983 is het beleid van de overheid nogal veranderd. Of beter: uitgehold. Het doel was een multiculturele samenleving met gelijke kansen en het bestrijden van de achterstand van allochtonen op sociaal-economisch gebied. Maar de kansen bleken niet gelijk. Immigranten van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse komaf waren het slachtoffer van een stijgende werkloosheid en een afnemende vraag naar ongeschoolde arbeiders. De positie van allochtonen verslechterde en behoud van cultuur werd in toenemende mate gezien als obstakel bij integratie. Langzaam ontstond daarom het idee dat `integratiebeleid' beter zou zijn. De achterstand van minderheden moesten worden bestreden door de overheid. Het behoud van cultuur werd aan henzelf overgelaten.

Maar ook dit beleid is verschoven. De laatste jaren is er vooral sprake van een algemeen achterstandsbeleid, niet meer specifiek gericht op minderheden. De gedachte dat minderheden moeten worden geholpen is er nog wel, maar de instrumenten zijn afwezig, schrijft hoogleraar sociale wetenschappen Han Entzinger in zijn bijdrage aan de bundel Multiculturalisme.

Hoe komt het toch, dat behoud van cultuur soms de integratie bemoeilijkt? Geschiedenis kan uitkomst bieden. Immigranten uit vorige eeuwen integreerden veel beter. Het verschil met nu is drieledig, schrijft socioloog Nico Wilterdink in de `interdisciplinaire' bundel. Allereerst komen de na-oorlogse immigranten uit niet-westerse culturen. Ten tweede kan door betere communicatie- en transportmiddelen (telefoon, vliegtuig) de band met het land van herkomst eenvoudig worden gehandhaafd. Tot slot speelt het aantal immigranten en de concentratie in wijken een rol. Daardoor kan de eigen cultuur ook hier makkelijker worden vastgehouden. Van groot belang voor deze onderlinge cohesie zijn de islamitische organisaties.

In het midden van de jaren zeventig stelden die organisaties nog niets voor. Maar vanaf 1980 schieten ze als paddestoelen uit de grond. Eerst onderling verdeeld en verplinterd door tegenstellingen, maar vanaf de jaren negentig beter georganiseerd en machtiger. Landelijke woordvoerders dwingen van de overheid voorzieningen af. De organisaties maken in toenemende mate gebruik van wetten uit de tijd van de verzuiling. Zo ontstaan steeds meer islamitische gebedsruimten, scholen, adviesraden, begraafplaatsen enzovoort. Lokale politici zijn daar niet altijd even blij mee – juist die samenklontering werkt de integratie nou niet bepaald in de hand - maar aan deze rechten kan nu eenmaal niet worden getornd.

De antropoloog Thijl Sunier verwacht veel van de jongeren en vrouwen, die een eerste stap zouden kunnen zetten in de richting van een `Nederlandse islam'. Maar zijn hoop is niet erg kansrijk, stelt de Leidse arabist J. Brugman in zijn bundel Het raadsel van de multicultuur. Het islamitisch recht staat integratie in de weg. `De islam ligt boven en niet onder', citeert Brugman de koran. Vooral de eeuwigheidswaarde die aan de grondslagen van het islamitisch recht wordt toegeschreven ziet hij als een obstakel. Omdat de koran door moslims wordt gezien als het woord van God – wat tussen 661 en 950 na Christus waar was, is daarom altijd waar – vormt het een grote belemmering voor een verzoening tussen de islam en de moderne maatschappij. Die fundamentalistische starheid is het probleem, vindt Brugman. Juist de term `multiculturele samenleving' is een verkeerd signaal, omdat het de indruk wekt dat islamitische immigranten het recht hebben hun eigen cultuur te behouden.

Of de invloed van islamitische scherpslijpers in de praktijk echt zo'n barrière opwerpt, blijft de vraag. Arabist Brugman stelt de leer centraal, niet de leef- en gedachtenwereld van de Turkse of Marokkaanse moslims in Nederland.

Hoezeer de meningen kunnen verschillen blijkt uit de bundel Mensen, rechten en islam. Het uitgangspunt is dat er in Nederland weliswaar een hoop mogelijkheden zijn voor vrije godsdienstuitoefening, maar nog te veel beperkingen. Als gevolg van een gebrekkige landelijke leidraad, onwillige lokale overheden en vooringenomen rechters met een gebrek aan kennis van het islamitisch recht wint nog te vaak de Nederlandse norm. Ten onrechte, volgens Katja Noordam en Roemer van Oordt. De overheid zou zich juist sterker moeten maken om de ongelijkheden op te heffen, anders blijft volledige godsdienstvrijheid voor moslims in Nederland `een brug te ver'.

Botsingen zijn het hevigst tussen het islamitisch familierecht en de westerse wetten die gelijkheid propageren. Een moslim-vrouw mag niet trouwen met een niet-islamitische man, maar een Nederlandse rechter zou zo'n huwelijk toch toestaan. Dat lijkt prima, maar volgens juriste Susan Rutten `erodeert' hierdoor het familierecht. Sterker, het dreigt zelfs het onderspit te delven, omdat het moet wijken voor Nederlandse waarden. Rutten vindt dat niet gepast in een multiculturele samenleving.

Terwijl Brugman vindt dat het islamitisch recht vooral geen vaste voet aan de grond moet krijgen in Nederland, vinden de auteurs van de bundel Mensen, rechten en islam dat er te makkelijk aan voorbijgegaan wordt. En terwijl Brugman de multiculturele samenleving hekelt, vinden zijn opponenten juist dat er te weinig ruimte voor wordt gecreëerd. Wat dat betreft staan de laatsten op één lijn met de meeste auteurs van de bundel Multiculturalisme: het `wij' en `zij' denken moet overboord worden gezet, de autochtone Nederlanders moeten hun mentaliteit een beetje aanpassen. Over één ding zijn alle auteurs het eens: herinterpretatie van de koran en het islamitisch recht zou helpen om het geloof te verenigen met basale mensenrechten en de moderne westerse maatschappij.

Dit is niet eenvoudig, blijkt uit het opstel van hoogleraar islam Mohammed Arkoun in Mensen, rechten en islam. Als pleitbezorger van een moderne interpretatie van de islam windt hij zich op over het feit dat lokale varianten geen kans krijgen, dat voor verlichte inzichten geen ruimte is en dat het huidige islamitische denken gedomineerd wordt door het kritiekloos en scholastisch overnemen van een Goddelijk geachte autoriteit. Dat is niet best voor de integratie.

Volgens antropoloog Frank van Gemert wordt er in dit soort debatten om de hete brij heengedraaid. De factor cultuur heeft te weinig aandacht gekregen. De conclusie van zijn proefschrift, met de veelzeggende titel Ieder voor zich, deed nogal wat stof opwaaien. Volgens Van Gemert wordt de hoge criminaliteit onder Marokkaanse jongens mede veroorzaakt door hun cultuur. Wantrouwen en altijd maar grenzen aftasten zijn belangrijke oorzaken van criminaliteit bij Marokkaanse jongens. Van Gemert zag het in het Rif-gebergte, waar de meesten vandaan komen. Hij ziet het terug bij de eerste en tweede generatie Marokkaanse immigranten in drie arme wijken in Rotterdam-Zuid, waar hij drie jaar rondhing. Hij bekeek ter controle ook de Turkse jongens, die ondanks dezelfde kansen minder vaak met de politie in aanraking bleken te komen. Conclusie: het moet wel de cultuur zijn. De Turkse gemeenschap is hechter georganiseerd en ondersteunt elkaar. In de Marokkaanse gemeenschap heerst onenigheid, list en bedrog. Samenwerken lukt niet, alles is doordesemd van wantrouwen. Ik niks, dan jij ook niks.

Grenzen

Ieder voor zich is niet in de studeerkamer tot stand gekomen. Het is een levendig proefschrift, de conclusies worden geïllustreerd met veel observaties uit de praktijk. Van Gemert gaat het taboe niet uit de weg. Maar als hij de factor cultuur als `uitgangspunt' neemt, beginnen de twijfels. Hij noemt cultuur `de onbekende factor' en maakt meerdere malen duidelijk deze leemte graag te willen vullen. Maar het in zijn betoog zo cruciale wantrouwen wordt eigenlijk nooit goed aangetoond. Van Gemert bewijst aan de hand van voorbeelden en die zijn vaak zwak: het onvermogen een Marokkaans voetbalteam op de been te brengen, een mislukte protestactie voor het behoud van het buurthuis, niet bij de Turkse slager kopen omdat het varkensvlees zou kunnen zijn, dat soort dingen. Ook methodologisch valt er veel af te dingen. De onderzoeksgroep betreft tachtig regelmatige bezoekers van een buurthuis. Van Gemert heeft er veertig geïnterviewd en van twintig heeft hij de politiedossiers bekeken. De controlegroep telt precies tien Turkse jongens. Van Gemert suggereert een causaliteit tussen cultuur en criminaliteit bij Marokkaanse jongens, maar toont slechts een correlatie aan bij de door hem onderzochte groep in de allerarmste wijk van Nederland.

Is Ieder voor zich dan een waardeloos boek? Zeker niet. Van Gemert heeft de jongens in zijn wijk goed leren kennen en dat levert veel op. Schuld is minder belangrijk dan schande, iets fout doen minder erg dan het bekend worden ervan. Omdat de jongens in hun opvoeding vooral straf krijgen als het fout gaat, tasten ze grenzen af. Niet wat kan, maar wat wordt toegelaten bepaalt de grens. Zeker ook op straat, waar ze veel hangen omdat het huis vaak klein is, ze graag ongestoord sigaretten willen roken en de televisie niet is afgestemd op zenders die zij willen zien aangezien een strenge vader de afstandsbediening hanteert. De relatie met hun vader, allesbehalve een voorbeeld, is afstandelijk. De jongens vinden hem `hopeloos ouderwets' en morrelen aan zijn machtspositie. Omgekeerd hanteren de ouders abstracte termen als `verantwoordelijk gedragen' en een godsdienstig kader. In de praktijk biedt dan alleen een auto en een groep vrienden op straat enig houvast.

Jongeren uit etnische minderheidsgroepen zitten regelmatig klem tussen vader en vrijheid, tussen tradities en Nederlandse waarden, tussen zelfontplooiing en loyaliteit. Sommigen hebben daar geen moeite mee, veel anderen wel. Het huidige integratiebeleid richt zich in toenemende mate op goed Nederlands leren, schoolprestaties verbeteren en uitval voorkomen. Het onderwijs in eigen taal en cultuur – ooit gehandhaafd onder het motto: multiculturele samenleving – is een zachte dood gestorven. Via allerlei projecten, werkgroepen en arbeidstrajecten wordt geprobeerd de allochtone jongeren de Nederlandse maatschappij in te trekken. Stilletjes hoopt de regering dat bij de tweede, derde of vierde generatie de hang naar de eigen cultuur zal plaatsmaken voor de behoefte op te gaan in de Nederlandse samenleving. Natuurlijk mogen etnische minderheden hun eigen moskee, slager en begraafplaats hebben. Als het de integratie maar niet in de weg staat.

C.H.M. Geuijen (red): Multiculturalisme. Lemma, 248 blz. ƒ65,–

Frank van Gemert: Ieder voor zich. Kansen, cultuur en criminaliteit van Marokkaanse jongens. Het Spinhuis, 265 blz. ƒ15,–

Katja Noordam, Roemer van Oordt en Coskun Çörüz (red.): Mensen, rechten en islam. Beschouwingen over grondrechten. Bulaaq, 221 blz. ƒ29,50

J. Brugman: Het raadsel van de multicultuur. Essays over islam en integratie. Meulenhoff, 183 blz. ƒ39,90