Boys

Dit was tijdens de Grote Oorlog de eerste plaats achter het front waar het een beetje rustig was. Aan het gemeentehuis hing altijd een bord met `safe' of `unsafe' – de windrichting bij een gasaanval – maar dat mocht er de pret niet drukken. Dit was de plek van het eerste glas en de laatste vrouw.

Het statige Talbot-house viel daarbuiten. Het was een `Every Man's Club', waar iedere militair even iets van rust kon vinden. En die sfeer hangt er nog steeds, rond de trappen, de meubels, de stille tuin, zelfs de piano waaraan ze liedjes zongen. Tot voor kort logeerden de veteranen er ook nog. Niets is hier veranderd.

Ik drink thee aan de keukentafel en ik moet denken aan Lyn Macdonald, de grote WO I-expert, de `moeder' van de laatste veteranen. Ze vertelde me in Londen hoe ze gefascineerd was geraakt door al die clubjes oude mannen, die overal in het land nog regelmatig een glas pakten en een liedje zongen. ,,Ze waren alleen maar samen, dat was genoeg.'' Macdonald noemt hen altijd `the boys'. ,,Ik zag in hen nog steeds hele jonge mannen. Voor henzelf was die oorlog vaak reëler dan de rest van hun leven. Zoals eentje zei: `Ik leefde mijn hele leven tussen mijn 18de en mijn 21ste, en de rest was alleen maar aftiteling.''' Ze waarschuwde voor een gemakkelijk oordeel: ,,Die generatie was niet gek, het waren fantastische mensen. Ze hadden alleen hele andere idealen dan nu: patriottisme, plichtsgevoel, dienst, opofferingsgezindheid. Het waren typische victorianen, maar na de oorlog kwamen ze terug in een wereld waarin ze zich steeds minder zouden thuisvoelen.