Het nieuws van 19 februari 1999

Sociobiology 2

De informatieve rubriek De Oogst van onze eeuw beleefde een slechte dag met de bespreking van Sociobiology (1975) van Edward Wilson door Frans van der Helm. Zijn relaas is tendentieus, triomfalistisch en geeft een vertekend beeld van de discussies die over het boek zijn gevoerd. Van der Helm doet alsof er alleen maar ideologische argumenten in de strijd werden geworpen en het belangrijkste verzet van `progressieve studenten' kwam die Wilson uitmaakten voor `nazi' en `profeet van het rechtse patriarchaat'. Van der Helm noemt niet één inhoudelijk en `wetenschappelijk' argument tegen Wilsons sociobiologie. Het belangrijkste bezwaar tegen de sociobiologie en aanverwante evolutionaire verklaringen van menselijk gedrag is dat zij alleen de actuele verhoudingen (bijv. die tussen de seksen anno 1999) verklaren. Verklaren is trouwens een groot woord, want het ad hoc karakter is hoog. Als een eigenschap veel voorkomt bestaat er een gen voor, behalve als het te zot wordt. Wél een gen voor agressie, geen voor godsdienst. Vrouwen besteden meer zorg aan hun uiterlijk en vallen dus meer op dan mannen, terwijl dat in de dierenwereld vaak andersom is. Maar geen nood, daar weten we wel iets op: saaie mannen gaan minder vreemd en werken dus harder voor het gezin. De sociobiologie zou honderd jaar geleden met totaal andere genetische verklaringen van de sekseverhoudingen zijn gekomen. Sociobiologen zijn a-historische en (inderdaad) ideologisch conservatieve denkers. Maar de tijdgeest hebben zij mee.

Bij de lunch val ik stil

Erik Knipscheer (34)

Standplaats: Parijs sinds 1994

Baan: marketing-manager Organon

Als het over eten gaat, spreken ze de taal. Als het over werken gaat, redden ze zich heel goed. Op financieel gebied komen ze een eind en ook het sportvocabulaire beheersen zij. Erik Knipscheer en Marion Eig wonen samen met hun zoontjes al weer bijna vijf jaar in Parijs. Erik werkt als marketing manager voor het farmaceutisch bedrijf Organon en Marion (33) heeft een baan bij het Franse telecommunicatiebedrijf Cirus. ,,Alleen tijdens de lunch val ik stil'', zegt Erik. ,,dan praten mijn collega's opeens met afkortingen en wordt alles omgedraaid. A fond wordt à donf en Laisse tomber wordt laisse betom. Daar waag ik me niet aan. Ook op de crèche loop ik achter. Die taal beheers ik nog niet.''

Het is zondagmorgen negen uur als de familie poseert voor de Eiffeltoren. Ze zijn de enige `toeristen' op dat moment. Nog geen uur later stroomt het Place du Trocadéro vol en gaan zij op in de massa.

De familie heeft zich gemakkelijk aangepast aan het leven in Frankrijk. Het geboortekaartje van de jongste zoon werd ook in het Frans opgesteld en het antwoordapparaat wordt in vlekkeloos Frans door Marion ingesproken. Ze genieten van lekker eten en lekker koken. Ze hebben een prachtig appartement aan de Boulevard Saint Michel en in de wijnkelder liggen mooie wijnen.

Er zijn slechts enkele Franse gewoontes die ze meteen zullen laten vallen als ze weer terug naar Nederland gaan. Erik: ,,De Fransen kunnen niet vergaderen. Er ontbreekt een agenda. Op een gegeven moment roept iemand: `ik moet weg' en dan staat iedereen op. Vergadering afgelopen, niets besloten. Dat zien we de volgende keer wel weer. Het werkklimaat is veel te hiërarchisch, Nederlandse directheid wordt niet gewaardeerd – ik houd me in – en Fransen werken belachelijk lang door. Zodra ik terug ben in Nederland hoop ik weer gewoon om zeven uur 's avonds thuis te zijn.

Foto: Daphné Bouvard

Itzik Galili's dansers hebben hun eigen dromen

Nocturnal Lament (Nachtelijk Klaaglied) noemt Itzik Galili het tweede programma van zijn Noordnederlands dansgezelschap Galili Dance. Dat voorspelde al dat het niet zou gaan om een van vrolijkheid overlopend avondje en dat werd het ook niet. We zien dolende, eenzame, verloren zoekende zielen in fraai belichte, effectief troosteloze toneelbeelden (van Ascon de Nijs), zowel in Anouk van Dijks Call it a day als in In Remains van het kopppel Roni Haverman/Guy Vaizman. Bij Van Dijk overheerst de absurde abstractie. De zes individuen hebben nauwelijk iets met elkaar te maken. Ze verschijnen en verdwijnen nogal willekeurig in en achter een groot, gescheurd, scheefhangend zeil waaronder een roestige buis uitkomt. De bewegingen zijn, zoals te verwachten valt bij Van Dijk, complex, grillig en soepel. Lichamen en ledematen zwikken, zwaaien, zwieren, wiegen, wiebelen, wankelen en wervelen vrij door de ruimte. De sluikvallende kostuums – vormloze jurkjes voor de meisjes en slobberige T-shirts en wijde broeken voor de jongens – benadrukken het gevoel dat er vooral nergens iets echt expliciet mag zijn. Veel verband tussen muziek, mensen en opeenvolging van dansdelen heb ik niet kunnen ontdekken. Op het netvlies en in de hersenen blijft een wirwar van knappe, uiterst dynamische acties over, die als totaal toch geen pregnante indruk achterlaten. Het is lovenswaardig dat Galili zijn dansers een kans geeft hun choreografische ambities te realiseren, maar ik vraag me af of dat op dit moment en in dit geval wel echt verstandig en nodig was.