WAO-uitkering (2)

Rita Kohnstamm meent (6 februari), dat een WAO-uitkering wegens psychische klachten als gevolg van privé-omstandigheden moet worden beperkt.

Uitdrukkelijk is bij de totstandkoming van de WAO afgezien van het onderscheiden van arbeidsongeschiktheid die wordt veroorzaakt door de verrichte arbeid dan wel die waarvan de oorzaak gelegen is in privé-omstandigheden, omdat veel belang werd gehecht aan het voorkomen van een moeilijke en voor de betrokken partijen belastende bewijsvoering. Zo vallen er evenzeer lichamelijke handicaps die buiten de werksfeer zijn ontstaan, onder de bescherming van de WAO.

Ten tweede brengt zij naar voren dat het recht op arbeid in de jaren zeventig werd opgevat als een recht op ontplooiing in een zelfverwerkelijkingproces. Zelfs indien sommigen het recht op arbeid toen opvatten zoals zij schrijft, is dit niet aldus vastgelegd in de tegenwoordig nog geldende verdragen en regels.

Behalve in de Universele verklaring van de rechten van de mens uit 1948, is in een VN-verdrag uit 1966, het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het recht op arbeid erkend en omschreven als het recht van een ieder op de mogelijkheid in zijn onderhoud te voorzien door middel van vrijelijk gekozen of aanvaarde werkzaamheden. Een dergelijk recht is sinds 1987 ook opgenomen in de Grondwet. De waarde van arbeid is op de eerste plaats gelegen in het elementair kunnen leven van de inkomsten uit eigen arbeid: in het kunnen voorzien in voedsel, kleding, huisvesting, medische verzorging enz. Van belang is bovendien dat het gaat om vrijelijk gekozen arbeid, dat wil zeggen arbeid die zoveel mogelijk aansluit bij iemands voorkeur, bekwaamheid en geschiktheid.

Hoewel ontplooiing in arbeid kan en mag, moet anderzijds het algehele financieel-economische belang in acht worden genomen bij een plicht tot het verrichten van arbeid of, zoals in Nederland door de commissie-Van Rhijn in 1945 is geschreven, de plicht zelf het redelijke te doen om zich sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen. Een en ander is uitgewerkt in een verdrag van de internationale arbeidsorganisatie uit 1988. Het bepaalt dat arbeid tenminste passend moet zijn en rekening moet worden gehouden met de leeftijd van de werkloze, de diensttijd in zijn vorige werkkring, zijn ervaring, de duur van zijn werkloosheid, de stand van de arbeidsmarkt en de gevolgen van de desbetreffende arbeidsplaats voor zijn persoonlijke leven en zijn gezinsomstandigheden. In geen geval is het geoorloofd dat iemand arbeid objectief gesproken uit louter nood aanvaardt. Overigens betreft dit verdrag alleen de bescherming tegen werkloosheid.

Dat verklaart waarom het een aantal jaren geleden niet is ingeroepen bij de vervanging van het begrip passende arbeid in de WAO door het begrip gangbare arbeid. Bij het bepalen of arbeid gangbaar is wordt uitdrukkelijk geen rekening gehouden met opleiding en ervaring van de betrokkene.