Vertroeteling

De druppel hangt soms aan een snipverkouden neus, sist op een gloeiende plaat of laat de emmer overlopen, waarna de pleuris uitbreekt. Droppel past overigens beter bij de vorm dan druppel — van de regen in de drop komen. Helaas is drop niet te koop in de vorm van droppels: teardrops...

Bij gelegenheid van de vijftigste verjaardag van een dichtende vriend schreef Nicolaas Matsier in 1995 een sonnet (Druppel), waarvan de eerste twee strofen luiden: `er hing een druppel aan een tak/ blank vol gedachten/ niet veel was het dat haar ontbrak/ tijdens het korte wachten// zij spiegelde het hoge en het lage/ wat voor en achter was/ een klein ovaal zeer licht te dragen/ onzichtbaar zwellend glas'.

Matsier meent dat druppel een vrouwelijk woord is. Mis. Maar wel begrijpelijk gezien de peervorm, bovendien kan en mag in poëzie nu eenmaal alles en vooral nog wat. Zoals onderhuids citeren. Bij de eerste regel van Matsiers vers denk je onwillekeurig aan de laatste appel van Sappho: `aan den tak/ gebleven, waar hij na den pluk voortaan/ zich volzoog aan het sap en ongestoord/ zwol tot satijnen rondte, tot den schat/ des laten zomers, de vertroeteling' (J.H.Leopold).

Matsier laat zijn verjaardagsdruppel het hoge en lage spiegelen plus `wat voor en achter was'. Net als Diderot en Leibniz, Dèr Mouw en Leopold herkende Matsier het gecomprimeerde universum in een waterdroppel — gelukkig voor hem en voor ons zag hij de droppel tevens als `onzichtbaar zwellend glas'. Gelukkig, want wat moet je in hemelsnaam met een transparant universum? Volgens mij zo snel mogelijk je biezen pakken. Wegwezen, de spiegel aan diggelen slaan en met blote voeten op de scherven dansen.

Lodewijk van Deyssel schreef eveneens een ode aan de waterdroppel, zojuist herdrukt in de door Harry G.M.Prick bezorgde brochure Goddelijke gevoelingen. Van Deyssel zag waterdroppels in een plas vallen en had daarbij een mij helaas vertrouwde associatie: `En daarnaar zat, op een kleinen afstand, een man, een mensch te kijken, die dat deed denken aan tranen, aan een traan, die telkens viel, uit een vrouwengelaat ergens heel hoog, in de stilte, in de eenzaamheid'.

Op 11 mei 1938 noteerde Van Deysssel in zijn dagboek dat bij het jaren later herlezen van deze tekst hem pas `het sentiment van droefheid' opviel: `Het eigenlijke van die vallende waterfiguren makende regendruppels was de, onzichtbare, vrouw, die weende vanuit de leêge lucht'. Matsiers dichtregel `onzichtbaar zwellend glas' gaat vloeiend over in Leopolds `wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal'. Vloeiend is eveneens de stap van droppel naar traan/waterlander. Al biggelen die net als krokodillentranen uitsluitend over wangen, wellen in ooghoeken, worden steels weggepinkt.

De ervaring leert dat ze allebei zoutig smaken. Weliswaar gaat het om trilkristallen maar ze spiegelen het universum niet, eerder pijn, verdriet of hilariteit — die aasgieren van de lach. Je kunt ook tabak krijgen van treurtranen, plotseling beseffen dat je nooit lachtranen wegkuste of oplikte.

Wie schaterlacht kan niet worden gekust. Ooit werd ik verliefd op een meisje precies op het moment dat ze lachte. Niet omdat zij bekoorlijker was, integendeel: dwangmatig telde ik de vullingen in haar kiezen, maar omdat ze even tantalisch onbereikbaar was en tegelijk innig met mij verbonden omdat ik haar liet schateren.

`Vrolijk van het verdampen/ knettert de druppel verder' dichtte J.Bernlef; hij liet zijn droppel sissen en springen op de bekende gloeiende plaat: `In spetters en spatten/ in de als waanzinnig dansende// Hoop de droogte te ontlopen' (De kunst van het verliezen). Ooit een bange droppel gezien?

Zeker is dat het in dit geval niet de droppel was die J.H.Leopold bezong, die fabuleuze `enkle pereling/ doordringt de gansche helderheid'. De droppel als mannetjesputter annex putjesschepper op zee: `daar kleurt de druppel uit den kelk gevloten/ den Oceaan'. Een handvol decennia later zette T.van Deel Leopolds wijndruppel subtiel te kakken in zijn gedicht `Het zingend meer': `Geloof van wijn de ene druppel niet/ die opgaat in het zeegeduld. (...) Geen eeuwige aanwezigheid —/ gelukkig allertijdelijkst onderdak'.

Toevallig is T.van Deel de eerder niet genoemde dichter die in 1995 vijftig werd en door Nicolaas Matsier werd bedacht met een druipend sonnet.

Versmelten, dat is in wezen wat de droppel drijft. Met het grondwater of met lijfsap (kus). Als ding is de traandroppel volledig zinledig, verdampt of wordt via zakdoek en wasmachine opgenomen in het milieu. Dat al vervuild is.

Bij de titel `Het zingend meer' springen mij elke keer weer tranen in d'ogen: meer wijn of meer méér? Geen tranen van ontroering maar die van levenslust — zoete trilkristallen berstensvol verlangen naar versmelting.