Trou moet blijcken

Bij de naam Kees van Kooten denken we niet meteen aan een dichter. Hij zal zijn poëtisch talent ook zelf in alle toonaarden ontkennen, geheel volgens verwachting. Toch herinner ik me ergens te hebben gelezen dat hij wel meer gedichten heeft geschreven. `In portefeuille.' In elk geval heeft hij er weinig gepubliceerd. Een paar in het boek Zeven sloten. Het bijgaande Aan het werk staat achterop de verhalenbundel Veertig.

Het is geen humoristisch gedicht. Het gáát wel over een humorist. De hele Kooten-kosmos is in dit gedicht aanwezig, zoals de scherven van spiegels weer complete spiegels zijn. De taalverhaspeling is er. `Ik kijk mijn zoon.' `Zij zwijgen dat.' Een vlucht voor het gewone, om het ongewone van dat gewone te benadrukken. Ook aanwezig is het voluit benoemen van de mensen van wie hij `het zielst houdt'. En voorts het bekijken van zichzelf, een variant op zijn nooit aflatende zelfreflectie.

Hij kijkt naar zijn slapende zoon en ziet zijn vader liggen. Dat is een héél intense vorm van zichzelf bekijken.

Ik vraag hen wie ik wezen wil

– dat meervoudige hen slaat op het tweetal zoon en vader. Je hebt weliswaar de intimiteit en de continuïteit van de keten die leidt van de zoon in de vader tot de vader in de zoon (de zoon is de vader van de man), maar tegelijkertijd bevindt de kijkende derde, alias Kees van Kooten, zich in een schrikbarend niemandsland. Welke kant moet hij op? Vervreemding hoe, identificatie wat? Het onuitgesproken antwoord luidt dat hij verder moet, in zijn eentje verder. Niet naar de zoon, niet naar de vader. `Ik vraag hen wie ik wezen wil' – die vraag kwam neer op het uitleveren van zijn wil, het was een vraag naar identiteitsverlies.

Toch nadert hij eerst nog. `Ik kus zijn halsslagader.' Het gaat weer om de enkelvoudige realiteit, alleen de zoon is over. Maar in de aanraking van die kwetsbare plek, de snelweg van het verwante bloed, klinkt de naam Barbara op. Een vermaning dat er nog een ander deel heeft aan de zoon. Het zekere teken dat hij definitief uit de cyclus is gestoten. Je eigen vader herkennen in je eigen zoon, het waren stoffige hersenspinsels. De frisse geur van tandpasta maakt er korte metten mee.

Er zit iets aandoenlijk schutterigs in het rijm van Barbara op tandpasta. Je ziet de dichter als het ware met lege handen staan. Zo'n rijm zou drs.P een gruwel zijn. In een interview verklaarde hij dat hij Gorter als een pest beschouwde voor de ontwikkelingsgang van de Nederlandse poëzie, omdat Gorter hongerig op verlangerig had laten rijmen. Voor drs.P schijnt zelfs het rijmen van een korte ei op een lange ij niet meer door de beugel te kunnen. Nu, leve Gorter. Bovendien bewees Kees van Kooten in de regels daarvoor met vader, nader en halsslagader dat hij het best kon.

Aan het werk dus, aan het werk! Het `dus' duidt er op dat hij als tussenschakel zijn eenzame positie beseft. Het uitroepteken duidt op de dringende noodzaak van zijn vlucht in het werk.

De slagen der stomheid

zien te verslaan

door kakelend op

mijn handen te staan.

Het is de kortst mogelijke samenvatting van zijn bestaan als komiek. Die `slagen der stomheid' komen me bekend voor, alsof ik de uitdrukking al eens ben tegengekomen bij een `echte' dichter, al weet ik zo gauw niet welke. Komt dat omdat de voorafgaande regel ook al een citaat was? Aan het werk was de geliefde uitroep, als ik het wel heb, van Geert Lubberhuizen, destijds de uitgever van Kees van Kooten, als er weer eens te lang was getreuzeld of feestgevierd. Of verbeeld ik me alleen maar dat het een citaat is omdat Van Kooten zich, als het om grote woorden gaat, altijd probeert uit de voeten te maken?

Duidelijk is in elk geval: er is een geseling. Er is een stomheid die een groter zwijgen impliceert dan het zwijgen van zoon en vader alleen. Er moet iets `verslagen' worden, tegen iets gevochten. Er bestaan slagen die de ik, die Kees van Kooten heet, alleen kan overwinnen door terug te slaan.

Het vormt een onvermoede aanduiding voor de zwarte kant van deze humorist. Dat hij het vak van komiek aan het slot relativerend probeert af te doen als `kakelend op je handen staan' – het mag nauwelijks meer baten. Het hoge woord is er uit. De schaduw is gevallen. De spanning is gewekt. Kakelend op je handen staan, het zou een voorbeeldige omschrijving kunnen zijn van vluchtgedrag. Hier echter staat iemand kakelend op zijn handen aan de trapeze, op het slappe koord, in het volle licht van de schijnwerper. Hij kakelt om iets te overkakelen – iets wat martelt en met stomheid slaat. Maar we wisten toch allang dat er zonder duistere keerzijde geen sprake kan zijn van ware humor?

Aan het werk

Ik kijk mijn zoon.

Hij slaapt, ik schrik

en zie: daar ligt mijn vader.

Ik vraag hen wie ik wezen wil

en of ik die al nader.

Zij zwijgen dat ik verder moet.

Ik kus zijn halsslagader:

Barbara, klopt zij, Barbara.

(zijn mond geurt nog naar tandpasta)

Aan het werk dus, aan het werk!

De slagen der stomheid

zien te verslaan

door kakelend op

mijn handen te staan.

Kees van Kooten (geb. 1941)

    • Gerrit Komrij