Slim en sluw

Hoe komt het dat de wijn uit de streek rond Bordeaux zo gewild is? Ook als het kwaliteitsverschil ten gunste van andere wijnen uitvalt? Een geschiedenis van acht eeuwen uitgekiende handelspolitiek.

Onder wijnliefhebbers wordt over weinig zo veel gezucht als over de prijsontwikkeling van de betere bordeauxwijnen in de afgelopen jaren. Er wordt wel wereldwijd in snel tempo cabernet sauvignon – de belangrijkste druif voor bijna alle bordeauxwijnen – aangeplant om aan de grote vraag naar dit type wijn te voldoen, maar iedereen weet dat de smaak van een authentieke bordeaux onvervangbaar en niet na te bootsen is. Ook de producenten in Chili, Californië en Zuid-Afrika weten dat, anders zouden zij niet zo vol overgave proberen zich te meten met het ultieme referentiepunt: `echte' bordeaux.

De pijn over het koortsachtige prijsbeleid sinds 1995 – het jaar dat het Verre Oosten zich met overgave en dollars op de markt stortte – wordt wellicht minder in het licht van de lange geschiedenis van het bordeauxse prijsbeleid. Want de prijs van wijn uit de Bordelais heeft al eeuwenlang veel met kwaliteit te maken, maar ook heel veel met het creëren van een behoefte door zowel producenten als afnemers, waardoor de prijs kunstmatig hoog wordt gehouden. Wat nu de Japanners en de welgestelden van Hongkong doen, dat deden in de dertiende en veertiende eeuw de koningen van Engeland en in de zeventiende en achttiende eeuw de rijke bourgeoisie van Londen.

Bordeaux is gezegend met een volmaakte ligging ten opzichte van de zee: de rivier de Garonne mondt er uit en voert via talloze zijrivieren goederen aan vanuit een groot en welvarend achterland. De trechtervormige Gironde beschermt de haven tegen al te woeste aanvallen van de zee en is over zijn hele lengte goed bevaarbaar, ondanks de invloed van eb en vloed. Door het huwelijk van Eleonora van Aquitanië met Hendrik II Plantagenet, toekomstig koning van Engeland, werd in 1152 heel zuidwest-Frankrijk, de Saintonge en Poitou een onderdeel van het Engelse koninkrijk.

In vrij korte tijd bloeide de handel met Engeland op via Bordeaux, al vanaf de eerste eeuw voor Christus doorvoerhaven (emporium) van Zuid-Franse en Romeinse, later ook van Graves- en St. Emilionwijnen, naar Brittanië.

Na de `duistere Middeleeuwen' was het verzoek van de Bordelais om de grond rond hun stad naar eigen inzicht en voor eigen rekening te bebouwen een gouden zet. Zij wezen de kroon op het veel grotere belastingvoordeel dat deze er uiteindelijk van zou hebben. Toestemming werd hun verleend in 1199 (op 1 juli aanstaande op de kop af 800 jaar geleden) door de koningin-moeder Eleonora.

Wijn was de sleutel tot welvaart, dat hadden de Bordelais gezien aan de iets noordelijker gelegen havenstad La Rochelle. De van daaruit verhandelde zure wijn uit de Cognac, niet voor niets later tot distillaat gestookt, vond gretig aftrek bij de Engelsen, en de Bordelais wisten dat hun wijn beter was. Al een paar jaar na 1199 stond wijn uit de Graves op de tafel van de toenmalige koning van Engeland, Jan zonder Land (zoon van Eleonora).

De volgende 250 jaar – tot Aquitanië in 1453 weer bij de Franse kroon kwam – is de wijnexport en de exclusiviteit van de wijnen rond de stad Bordeaux enorm toegenomen. In een topseizoen als 1308-1309 werden 104.895 tonnen wijn (inhoud ca. 900 liter per stuk) uit Bordeaux geëxporteerd, hoofdzakelijk naar Bristol, Londen, Harwich, maar ook naar Middelburg en Amsterdam. De gemiddelde export per jaar bestond in die periode (eerste helft 14de eeuw) uit 70.000 tonnen wijn uit de Bordelais alleen, oftewel 630.000 hl.

Via een even ingenieus als sluw controlesysteem had Bordeaux het recht om alleen eigen wijnen op de markt te brengen in de voor de handel belangrijke periode tussen de oogst en eind november, wanneer de vloot richting Engeland vertrok om voor Kerstmis de nieuwe wijn op de tafels van de koning en zijn edelen te brengen. De door meer zonuren vaak veel betere en krachtiger wijn uit het achterland (zoals die van Gaillac en Cahors ) moest op verkoop wachten tot na Kerstmis.

Dit `privilège de Bordeaux' werd door de opeenvolgende koningen van Engeland gesanctioneerd, als dank voor de door Bordeaux bewezen trouw aan de Engelse kroon. Het werd door een strenge `police des vins' in stand gehouden en door de Franse koningen, ondanks aanvankelijke gewetensbezwaren, in stand gehouden.

Tot aan de Franse Revolutie, ruim driehonderd jaar later, bleef dit verfijnd werkende instituut van concurrentie-onderdrukking in werking. Een aantal benadeelde wijngebieden zijn pas na de Tweede Wereldoorlog bekomen van deze eeuwenlange onderdrukking. De streek rond Agen, waar aanvankelijk door tijdgenoten geprezen wijnen vandaan kwamen, is al in de Middeleeuwen uit nood overgeschakeld op de kweek van pruimen, waar Agen nog steeds beroemd om is.

De voordelen rond dit uitzonderlijke `concurrentiebeding' leidden vanzelfsprekend tot het exclusieve karakter van de wijnen uit de Bordelais – overigens nog zonder die uit de Médoc, dat pas laat in de zeventiende eeuw als wijnproducerende regio tot aanzien kwam.

Omdat de wijnen door de aristocratie van Noord-Europa en vooral Engeland werden gedronken, was de prijs gemiddeld viermaal zo hoog als die voor gewone wijn, terwijl de kwaliteit van de wijn – wegens zijn lichte kleur clairet of claret genoemd – vergeleken bij de wijnen die dieper landinwaarts werden gemaakt aan de zwakke kant was. Die wijnen mochten echter, zoals gezegd, op een economisch gunstig moment niet verkocht worden, maar werden door de Bordelais wel gebruikt om hun zwakke wijnjaren op te peppen. De consument kreeg weinig kans deze wijnen op hun eigen waarde te schatten, daar zorgde men in Bordeaux wel voor.

Toen de kwaliteit van de wijnen uit de Bordelais werkelijk verbeterde, in het derde kwart van de zeventiende eeuw, was het een kwestie van gerichte marketing om de prijzen van deze wijnen nog eens flink op te schroeven. De markt hoefde niet meer gecreëerd te worden, die was er al en, sterker nog, vroeg erom. De Engelse filosoof John Locke schreef tijdens zijn reis door Frankrijk in een van zijn brieven (1677) over de relatie tussen bordeauxwijn en zijn landgenoten: ,,Een ton van de beste wijn uit Bordeaux – die uit de Médoc of die van Pontac [de eigenaar van Haut-Brion, de eerste grand cru uit de geschiedenis] kost 80 tot 100 kronen. Hiervoor mogen de Engelsen hun eigen dwaasheid bedanken, want een paar jaar geleden werd deze wijn nog verkocht voor 50 tot 60 kronen per ton. Trendsettende kopers hebben de prijs tot dit niveau opgedreven doordat zij orders plaatsten om de wijn te kopen voor elke prijs, wat tot een ware koopdrift heeft geleid.'' Vervang `Engelsen' door `Japanners' en deze driehonderd jaar oude uitspraak is heel actueel.

Arnaud de Pontac heeft de Bordelais een dienst bewezen door als eerste zijn wijn niet alleen maar als `Claret' op de markt te brengen, maar als Haut-Brion. De opvallende kwaliteit van de wijn beschrijft Samuel Pepys, die al in 1663 in zijn dagboek meldt dat hij ,,een soort Franse wijn met een uitgesproken eigen smaak, genaamd Ho Bryan'' heeft gedronken.

Die `eigen smaak' was het resultaat van ingrepen in de wijngaard en de kelder die tot op de dag van vandaag kwaliteitsbepalend zijn, maar toen nieuw waren: lage rendementen; laat oogsten zodat de druiven volledig rijp zijn (een risico met het wisselvallige klimaat van de Bordeaux); een langere inweking van de druiven waardoor meer kleur wordt verkregen; en opvoeding van de wijn in nieuwe eiken vaten. De voor niets anders dan wijnbouw geschikte arme grintbodem van de Graves (thans Pessac-Léognan) is overigens de basisvoorwaarde voor de exclusiviteit van de wijn.

Alleen gefortuneerde wijngaardeigenaren konden zich de luxe van technische ingrepen permitteren en deze voorwaarde ligt aan de basis van de indeling in klassementen waar de bordeaux zo beroemd om is: de grands crus zijn niet alleen al eeuwenlang de meest gerespecteerde wijnen, maar ook even lang het bezit van de meest welgestelde mensen. De ook nu nog bestaande `crus bourgeois' waren oorspronkelijk in bezit van burger-wijnboeren met minder investeringsmogelijkheden en hadden daardoor ook een lagere kwaliteit – terwijl deze crus niet per definitie op kwalitatief mindere gronden lagen.

De invloed van kwaliteitswijn met herkomstbenaming als Haut-Brion (Margaux en Lafite, twee andere premiers grands crus, volgden korte tijd later) blijkt heel duidelijk uit prijsoverzichten uit de zeventiende en achttiende eeuw. In de tussenliggende periode – waarin zich de door De Pontac geïnitieerde `kwaliteitsrevolutie' afspeelde, met de daarop volgende Londense rage om die wijn à tout prix te hebben – stijgen de prijzen astronomisch.

Het interessante klassementslijstje dat de latere president van de Verenigde Staten Thomas Jefferson tijdens zijn bezoek aan Bordeaux maakte, komt al dicht in de richting van de grote classificatie van 1855, die nog steeds geldt. Vier van de vijf huidige premiers grands crus staan erop. Château Mouton staat nog op de derde plaats, zou in 1855 de `1ste van de 2de crus' worden (een merkwaardige vorm van tellen, maar Nathaniel de Rothschild zorgde er wel voor dat zijn wijn de prijs van een 1ste cru opbracht), en pas in 1973 de felbegeerde officiële premier grand cru status veroveren.

Het merkwaardige van het klassement van 1855 – gemaakt ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Parijs door de wijnmakelaars van Bordeaux – is dat het, in tegenstelling tot eerdere indelingen, in bijna honderdvijftig jaar niet is bijgesteld – iets waar thans vooral de beste cru bourgeois wijnen erg bij zouden zijn gebaat. Dit ondanks de wijze opmerking van Féret in Bordeaux et ses vins van 1865 (`de Féret' wordt nog steeds om de paar jaar uitgebracht en biedt een overzicht van alle domeinen in de hele Bordeaux) naar aanleiding van wijnklassementen: ,,Zoals alle menselijke instituten, is dit [klassement] onderworpen aan de wetten van de tijd en moet zeker in bepaalde periodes verjongd worden en gelijkgesteld met het niveau van de vooruitgang.''

Helaas zijn de economische belangen van de grands crus tegenwoordig dermate groot, dat het initiatief voor een wijziging van de `heilige indeling' van 1855 nooit van die kant zal komen. Het zou voor een aantal châteaux wel eens een pijnlijke confrontatie kunnen zijn met `de wetten van de tijd'.

    • Lucette M. Faber