Markt bedreigt stroomsector

Grote afnemers profiteren van de liberalisering op de Europese elektriciteits- markt, die morgen officieel begint, maar Nederlandse stroomproductie- en distributiebedrijven komen in de knel.

Formeel treedt morgen de liberalisering van de Europese elektriciteitsmarkt in werking en begint de Nederlandse stroombeurs Amsterdam Power Exchange (APX) met haar activiteiten. Er komt dagelijks een elektronische prijsnotering via het Internet die richtsnoer wordt voor alle partijen die in stroom handelen, in mei gevolgd door een Nederlandse spotmarkt en later dit jaar door een financiële termijnmarkt. De aftrap wordt gegeven door 30 partijen uit de kring van stroomproducenten, distributiebedrijven, grote industriële bedrijven, handelaren en makelaars.

Kern van de metamorfose is de intrede van concurrentie. Traditionele monopoliebedrijven veranderen in marktgerichte ondernemingen door geleidelijke privatisering. De netwerken die zij blijven beheren, moeten zich openstellen voor het transport van stroom voor concurrenten.

Voorlopig is de vrije markt in Nederland vooral interessant voor grote industriële afnemers, die de beursprijs als basis gaan hanteren voor hun contracten. Grote ondernemingen besparen dit jaar al miljoenen omdat ze goedkopere stroom uit het buitenland importeren. Per 1 januari moet minimaal 25 pct van de markt worden opengesteld voor vrije internationale concurrentie. Het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen liepen al voorop met 100 pct marktopening, Duitsland doet daar sinds 1 januari ook aan mee, Denemarken gaat naar 90 pct en Oostenrijk naar 50 pct. Nederland begint met 33 pct.

In de eerste fase zijn de grootste afnemers (in Nederland zo'n 650) die een vermogen van meer dan 2 megawatt per jaar afnemen, vrij in de keuze van hun stroomleverancier. Per 1 januari 2002 wordt een groep van 56.000 middelgrote bedrijven daarin vrij en in 2007 komen de kleinste bedrijven en de huishoudens als laatsten aan bod.

Die fasering is in de nieuwe Elektriciteitswet vastgelegd om de kleinere verbruikers te beschermen tegen prijsschokken. Die kunnen ontstaan doordat aanbieders in een vrije markt aan grote afnemers veel goedkoper kunnen leveren dan aan huishoudens. De levering van stroom aan kleinverbruikers blijft verzekerd en de maximumprijs per kilowattuur wordt tot 2007 door de overheid vastgesteld.

De import door grote ondernemingen neemt nu echter al zo'n hoge vlucht (van 11,8 miljard kilowattuur vorig jaar tot naar schatting 17 miljard kilowattuur dit jaar, gezien de afgesloten contracten) dat experts vrezen voor prijsverhogingen op de kleinverbruikersmarkt. Het verlies van grote klanten bij de Nederlandse productie- en distributiebedrijven doet hun omzet dalen en de kosten stijgen. Directeur-generaal Dessens van Energie op het ministerie van EZ zei bijvoorbeeld in een recent interview: ,,Een te hoge import bergt het risico in zich dat de niet-importerende energieverbruiker de rekening gaat betalen.''

Drie van de vier Nederlandse productiebedrijven onderhandelen met buitenlandse partners die belangstelling hebben voor overnames of de vorming van allianties om een voet aan de grond te krijgen op de Nederlandse markt. De Elektriciteitswet verbiedt voorlopig nog een volledige privatisering van distributiebedrijven, maar op termijn kunnen zij ook ten prooi vallen aan buitenlandse overnames. Omdat er zowel in Nederland als bij de buurlanden overcapaciteit in de stroomproductie bestaat, gaat de prijs voor grootverbruikers snel omlaag.

EnergieNed, de federatie van Nederlandse energiebedrijven, heeft de noodklok geluid. In een brief aan de Tweede Kamer wordt gevraagd om maatregelen die de energiebedrijven een gelijke concurrentiepositie met het buitenland moeten garanderen. Dat is in het belang van zowel de productie- als de distributiesector, legt algemeen directeur dr. Rob van 't Hullenaar van EnergieNed uit. ,,Voor onze bedrijven werkt het Nederlandse systeem van liberalisering heel oneerlijk uit, want wij zijn nog tot eind 2000 gebonden aan een afspraak, het Protocol van 1997, dat we voor onze klanten tegen een vaste prijs stroom afnemen van de Nederlandse productiebedrijven. Door de enorme vlucht die de import hier heeft genomen, is de gemiddelde prijs al centen per kilowattuur lager. Voor onze industriële klanten dreigen we dus te duur te worden. Als er niets verandert prijzen we ons uit de markt en het is veel makkelijker een klant te behouden dan hem weer terug te krijgen nadat hij in het buitenland is gaan inkopen.''

EnergieNed vraagt de Tweede Kamer daarom het Protocol met de productiesector niet in de Elektriciteitswet vast te leggen, zoals minister Jorritsma heeft voorgesteld in een aanvullend wetsvoorstel dat binnenkort wordt behandeld.

Kunnen de distributeurs geen compensatie zoeken op de buitenlandse markt, daar is de liberalisering toch voor bedoeld? ,,Dat zou zo moeten zijn'', zegt Van 't Hullenaar, ,,maar de buurlanden hebben de toegang tot hun stroomnetten zodanig beperkt dat het voor ons vrijwel onmogelijk is om te exporteren. Nederland hanteert een `postzegeltarief': de kosten voor transport zijn bij levering in een uithoek van het land hetzelfde als bij levering vlak naast een centrale. Maar in Duitsland en België zijn de transporttarieven hoog èn afhankelijk van de afstand, waardoor Nederlandse export al gauw niet concurrerend is. Transport over meer dan 500 kilometer levert al te veel netverlies op, dus op die buurlanden zijn wij aangewezen. Tel uit je winst.''

De overcapaciteit in de productie vormt ook een belemmering. Stroom wordt door producenten en handelaren zeer goedkoop aangeboden. Buitenlandse productiebedrijven zijn al bereid tijdelijk tegen marginale kosten te leveren om marktaandeel te behouden. Nederlandse leveranciers zijn bovendien gebonden aan beperkende bepalingen in Duitsland en België. De Belgen hebben uitstel van de liberalisering bedongen bij de Europese Ministerraad, maar er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat uitgaat van een aanvullende voorwaarden voor import en doorvoer van stroom.

Op dit moment is de nieuwe Elektriciteitswet nog niet volledig in werking en geldt nog een deel van de oude wet die uit 1989 stamt, waarin het distributiebedrijven zelfs nog verboden is stroom te importeren, behalve voor industriële klanten als die erom verzoeken. ,,Onze overheid wil met deze liberalisering het beste jongetje van de Europese klas zijn, terwijl andere lidstaten vooral oog hebben voor de positie van hun eigen energiebedrijven. Daar zijn wij nu de dupe van'', aldus de topman van EnergieNed. De vermogenspositie van de Nederlandse distributeurs èn de producenten, die gemiddeld toch al niet best is, dreigt verder te worden uitgehold, waarschuwt Van 't Hullenaar. ,,Als dat zo doorgaat dreigt een uitverkoop aan buitenlandse spelers zodra de hele markt vrij is. Dan kunnen Nederlandse klanten straks alleen nog maar bij buitenlandse bedrijven energie kopen.''

,,Wij zijn vóór concurrentie, en we vinden ook dat onze klanten daarvan moeten profiteren. Maar we hebben geen gelijke uitgangspositie met het buitenland. Duitse elektriciteitsbedrijven kunnen zó de Nederlandse markt op, terwijl voor ons de Duitse markt in de praktijk gesloten blijft. Het importverbod moet zo snel mogelijk verdwijnen en de minister moet bij het vaststellen van tarieven ons enige ruimte laten om de vermogenspositie van de bedrijven te versterken.''