JAN SMIT

Nee, niet Jantje Smit. De volwassen (en kale) Amsterdammer Jan Smit was al vele jaren eerder dan zijn Volendamse naamgenootje actief als zanger en gitarist in bands als The Landlords en de Jan Smit Band, voordat hij besloot zich te wagen aan zelfgeschreven Nederlandstalige (folk)liedjes. Zijn cd Zwavel is een wonderlijk anachronisme, dat herinnert aan de begindagen van Boudewijn de Groot en Jaap Fischer.

Een protestzanger is Smit niet, maar in zijn weldadig eenvoudige teksten toont hij zich een romanticus op de vierkante centimeter, die een liedje lang kan mijmeren over de deining van de zee of de voorjaarszon die ons uitnodigt naar buiten te gaan. Met zijn droge, ongekunstelde stem schetst de zanger binnen enkele minuten een sfeerbeeld dat een onbestemde nostalgie naar simpeler tijden ademt. Terwijl de enige echte Wally Tax op de achtergrond een partij mondharmonica meeblaast, ontaardt een liedje over de ongerepte onschuld van Willemien (`negentien, laat je witte tanden zien') al snel in een tragedie (`Willemien, twintig jaar, ligt hier prachtig opgebaard').

Niet alle teksten zijn even sterk; met name het uit bijbeltaal samengestelde Zonen van God klinkt krampachtig en archaïsch. In het algemeen is Zwavel echter een verrassend directe liedjesplaat, met een geloofwaardig bluegrass-uitstapje (Later) en het atmosferische Europaboulevard als mooie instrumentale afsluiter.

Jan Smit: Zwavel (Argentum AG 299)