Heerschende ziekte

Bekeringsdrang en economische malaise zijn eeuwenlang motor achter Nederlandse emigratie geweest. `Verwerven van levensgeluk: dat is emigreren', hield het rijk na de Tweede Wereldoorlog landverhuizers voor.

NOG ÉÉN KEER weerklinkt vandaag massaal de zondagse kerkzang, voordat iedereen zich begeeft naar de uitgang van de Oude Kerk in het Rotterdamse Delfshaven. De kerkgangers gaan dwars door de winterse hagelbuien rechtstreeks naar huis, of naar oma, maar in ieder geval niet op reis.

Anno 1999 komen Nederlands Hervormden bijeen in een kerkgebouw dat barst van de historie. Hiervandaan vertrokken op 22 juli 1620 ongeveer dertig Engelsen voor hun reis naar de Nieuwe Wereld, de latere Verenigde Staten. Via Rotterdam zeilden de Puriteinen met de schoener Speedwell naar het land, waar ze als Pilgrim Fathers het evangelie zouden verkondigen.

Meer dan voor Hollanders is de Oude Kerk, of Pelgrimvaderskerk, voor Amerikanen levende historie van eminente betekenis. Die onverschrokken pelgrimvaders leverden met hun denkbeelden over godsdienstige en burgerlijke vrijheden een belangrijke bijdrage aan de Amerikaanse democratie. Ze vormden de voorhoede van een grote stroom landverhuizers, die sindsdien vanuit Europa op gang kwam. Ieren, Engelsen, Duitsers en Italianen zochten hun heil op het Noord-Amerikaanse continent. Het Nederlandse aandeel in die emigratie was toen bescheiden.

Hollanders lieten zich voornamelijk inschepen om handel te drijven of de orde te handhaven in hun pas veroverde wingewesten. Zuidelijk Afrika, Oost-Indië, West-Indië en Noord-Amerika waren de belangrijkste bestemmingen. De kooplieden, bestuurders en hoge militairen, ondernamen de gevaarlijke zeilreizen in opdracht van de Vereenigde Oostindische Compagnie of de Westindische Compagnie. In de zeventiende eeuw beproefden religieus geïnspireerde Nederlanders hun geluk in het Amerikaanse Pennsylvania. Ze traden in de voetsporen van de Engelsman William Penn, voorman van de Quakers.

Bekeringsdrang en economische onvrede dreven later ook een omvangrijke groep van Christelijk Afgescheidenen naar Noord-Amerika. Vooral armen uit Zeeland en Gelderland sloten zich aan bij de leider, predikant Van Raalte. Hij streek neer in de staat Michigan, waar nu nog namen als Holland, Harderwyk en New Groningen aan de komst van de `fijnen' herinneren. Niet alle achterblijvers konden de uittocht waarderen. Er verschenen boekjes, uit katholieke kring, die waarschuwden tegen de `heerschende ziekte genaamd: Landverhuizing'.

De aantallen emigranten bleven overzichtelijk. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw kwam een ware volksverhuizing op gang. De industriële revolutie en de crisis in de landbouw maakten ook Nederlanders reislustig, al bleven hun aantallen ver achter bij andere Europeanen. De economische malaise was in Nederland minder goed voelbaar. In 1882 vertrokken bijna 10.000 Nederlanders, tegen 250.000 Duitsers, 180.000 Britten en ruim 100.000 Scandinaviërs. De Verenigde Staten van Amerika waren voor allen het beloofde land.

Een groep van vierduizend Nederlanders koos in 1889 een heel andere richting: Argentinië. Anderen gingen korte tijd later naar Brazilië, waar juist de slavernij was afgeschaft. Maar de lange zeereis bracht weinigen geluk; velen stierven aan ziekten of keerden berooid naar hun vaderland terug.

Met ontberingen kampten die dagen bijna alle landverhuizers. Ze moesten in de stoomschepen genoegen nemen met een positie als levende lading `beneden den waterspiegel'. Miljoenen Polen, Duitsers en Hongaren gingen in Rotterdam aan boord voor de lange reis naar Noord-Amerika. Vooral Friese en Groningse landbouwers voegden zich bij de stinkende havelozen, van wie je maar moest afwachten of hun luizen je niet de vlektyphus bezorgden.

Een journalist van het Rotterdamsch Nieuwsblad reisde in 1893 mee. Hij beschreef de bedompte kolenbunker onderin het schip Spaarndam. Landverhuizers van zeventien verschillende naties hadden er naar rangorde hun logies toegewezen gekregen: ,,De Friezen zitten het best in hun plunje, dan volgen de Duitsers, de Franschen, de schilderachtig morsige Italianen, de smerige Poolsche joden, de Arabieren en de Syriërs. In deze volgorde worden de landslui door de maatschappij ook geladen: de Hollanders krijgen de beste en luchtigste plaatsen.''

Tot de eeuwwisseling was emigratie vanuit Nederland vooral een aangelegenheid van burgers zelf. De regering maakte zich wel zorgen om de verspreiding van besmettelijke ziekten. Pas in 1923 riepen de rijksoverheid, de Holland-Amerika Lijn en een aantal bedrijven de Emigratie Centrale Holland in het leven. Voor het eerst kregen emigranten overheidssteun.

Verhalen over het leed op zee en de teleurstellingen `in den vreemde' konden velen er niet van weerhouden de oversteek te wagen. Wel kregen ze te maken met strengere immigratiewetten, zoals in de Verenigde Staten. Washington stelde quota in en bepaalde dat de `vreemd-geborenen' ten minste moesten kunnen lezen. Toch zouden tussen de twee wereldoorlogen nog 210.000 Nederlanders vertrekken, de meesten in Noord-Amerikaanse richting.

Die aantallen stelden weinig voor in vergelijking met de golf Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog in beweging kwam. Bijna een half miljoen Nederlanders pakte toen de koffers. Emigratie was het bezwerende toverwoord voor bedreigingen als het communisme, nieuwe oorlogen, werkloosheid en overbevolking. De overheid wakkerde de `bevolkingspsychose' nog eens aan. Minister J. Suurhoff van Sociale Zaken destijds: ,,Na het huwelijk moet emigratie beschouwd worden als de belangrijkste stap in het leven.''

Vierhonderd Nederlandse vrouwen gingen de honderdduizenden voor. Met het schip de Lady Rodney reisden ze in 1946 Canadese soldaten achterna die ze in de roes van de bevrijding leerden kennen. Een verslaggever van Het Vrije Volk zag de Canadese bruidjes aan boord gaan en wist niet wat hij zag: ,,Tsjonge, wat zien ze er piekfijn uit. Vlotte jurkjes, aardige truitjes. Ook veel knappe snoetjes, elegante figuurtjes.'' En hij telde wel 22 baby's.

Na hun vertrek leek het of een vreemde koorts Nederlanders beving. In 1948 overwoog één op de drie Nederlanders te emigreren. In klassen vielen gaten, doordat scholieren met hun ouders plotseling de boot namen naar Canada, Australië, Nieuw Zeeland of Zuid-Afrika. ,,Het kwam op als kakken'', zei een inwoner van Schiebroek over zijn overhaaste vertrek naar Australië. ,,De een maakt de ander gek. Als jullie gaan dan ga ik ook. Het was avontuur dat trok, dat allenig.''

Een groot aantal Nederlandse soldaten was al naar Australië en Nieuw Zeeland uitgeweken. Van hen waren 127.000 tussen 1945 en 1950 naar Indonesië gestuurd om er de onvermijdelijke onafhankelijkheid tegen te houden. In het vrije Indonesië bleven 40.000 Nederlanders achter.

De kandidaat-reizigers hielden zichzelf voor de gek over de onbegrensde mogelijkheden. Folders van de regering namen dit bedrieglijke beeld niet weg en schreven over het `verwerven van levensgeluk: dat is emigreren'. Het rijk betaalde zelfs het grootste deel van de overtocht.

Eenmaal aangekomen bleef van de zelfverzekerdheid spoedig weinig over. Opname in de nieuwe samenleving was een beproeving. Het mengtaaltje van Nederlands en Engels, het Denglish, deed de autochtonen glimlachen: ,,We gaan shopping met de car naar de store.'' Maar de Nederlanders verging het lachen: ze voelden zich eenzaam, en voor betere baantjes werden ze gepasseerd. Heimwee naar Holland maakte zich van hen meester.

De stroom emigranten droogde begin jaren zestig op. De overheid trok haar handen van de emigranten af. Wie zijn familie nog achterna wilde reizen, moest voortaan de overtocht zelf betalen. Bovendien begon de wederopbouw zijn vruchten af te werpen. Er kwam meer werk in eigen land.