Europarlement behoeft spreekrecht

Tweede-Kamerleden en hun geestverwanten in het Europarlement moeten regelmatig bijeenkomen om over belangrijke kwesties te kunnen beslissen, vindt J.G.C. Wiebenga.

Het is goed dat de verbetering van de betrekkingen tussen de Tweede Kamer en het Europees Parlement opnieuw op de politieke agenda is geplaatst. Het is echter de vraag of die verbetering het beste kan geschieden door Europarlementariërs spreekrecht te verlenen in 's lands vergaderzaal. Een ondubbelzinnig ja of nee daarop is mij te eenvoudig. Het gaat er eerder om een samenspel van maatregelen te nemen dat de parlementair-democratische controle op een moeilijk grijpbare Europese Raad van Ministers verbetert.

De eerste reden om maatregelen te nemen ligt in het welbekende democratische tekort van Europa. Waar in Nederland alles staatsrechtelijk grotendeels op een rijtje staat, deugt de democratie in het verenigd Europa nog onvoldoende. Je zou kunnen zeggen dat het Europees Parlement pas halverwege de volwassenwording is. Ter vergelijking: het duurde in Nederland meer dan 100 jaar voordat de Tweede Kamer een volwaardig parlement was.

Voor dit euvel is maar één echte oplossing mogelijk: het Europees Parlement moet over de hele linie medebeslissingsrecht worden gegeven. Dat kan natuurlijk alleen gebeuren door de Europese verdragen te wijzigen. Duidelijk is dat zolang en voorzover het Europees Parlement niet volledig bevoegd is, het een bondgenootschap moet sluiten met de nationale parlementen.

Een tweede reden om maatregelen te nemen is het vergroten van inzicht bij de nationale parlementen over het Brusselse besluitvormingsproces. Om tot een parlementair bondgenootschap te komen, moeten de te nemen maatregelen worden onderscheiden in drie soorten: institutionele maatregelen, politieke contacten en logistieke maatregelen. Het meest kwetsbaar zijn de institutionele maatregelen.

Europa wordt in onze grondwet niet genoemd. Europa is daarom onze grote `staatsrechtelijke fictie' en dat terwijl Europees beleid inmiddels binnenlands beleid is geworden. De meest opvallende institutionele maatregel die genoemd wordt is de beperkte herinvoering van het dubbelmandaat. Naar Nederlands recht mag dat, maar allerwegen wordt vermoed dat dat voor de betrokken afgevaardigde een te zware klus zal zijn. De praktijk bewijst dat ook. Het Europees Parlement kent een aantal dubbelmandatarissen, bijvoorbeeld uit Italië, maar hun afwezigheidsgraad is hoog.

Minder ingrijpend is het verlenen van spreekrecht in de Tweede Kamer aan de Nederlandse leden van het Europees Parlement. Het voorstel lijkt eenvoudig, maar is het niet. Om te beginnen moeten we het eens worden over de vraag wat we bedoelen. Gaat het om spreekrecht in de Kamercommissie voor Europese Zaken? Dat lijkt mij niet voor de hand te liggen, want de vraagstukken doen zich nu juist voor op vakterreinen zoals landbouw, verkeer, financiën en justitie. Of gaat het om spreekrecht in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer? Hier kan inderdaad de grondwet in het geding komen. Op zijn minst zal de grondwetgever (regering en Staten-Generaal) de vraag moeten beantwoorden of de grondwet moet worden aangepast dan wel of ruimte wordt gegeven aan de ontwikkeling van ongeschreven staatsrecht.

Vanuit het standpunt van de Europarlementariërs bezien lijkt het verwerven van spreekrecht in Den Haag op het eerste oog aantrekkelijk. Als de media niet naar ons toekomen, dan komen wij wel naar de media toe, zal de achterliggende gedachte bij een aantal van mijn medeleden zijn. Maar ik verwacht dat het in werkelijkheid enigszins zal tegenvallen.

Er zijn immers grofweg twee mogelijkheden. Ofwel de Europarlementariër is het eens met de geestverwante Kamerfractie, maar dat geeft geen nieuws. Of hij is het oneens met de geestverwante fractie. Dat levert zonder twijfel eenmalig nieuws op, maar zal de neiging van de Haagse fractie om de in Den Haag gebruikelijke partijdiscipline te doen gelden, krachtig bevorderen. Daar komt bij dat het maar de vraag is of Europarlementariërs er zo blij mee moeten zijn om als tweederangs Tweede-Kamerlid te mogen functioneren. Wat zijn parlementariërs zonder wapens? In Europa zijn wij nog maar half bewapend, maar ook in Den Haag zal onze hand niet gevuld kunnen worden. Misschien is het gemakkelijker en nuttiger om Kamercommissies hoorzittingen te laten organiseren waarvoor zij rapporteurs van het Europees Parlement uitnodigen. Een rapporteur is een parlementslid dat een debat voorbereidt over een plenair onderwerp. Zoals over de EU-begroting, over een richtlijn en dergelijke. En waarom zou de Tweede Kamer zich daarbij beperken tot het uitnodigen van Nederlandse Europarlementariërs?

Eén institutionele maatregel die onlangs werd bepleit om het democratische tekort op te heffen moet krachtig bestreden worden. Dat is het voorstel om te komen tot een Europese Senaat naast het Europese Parlement, `een landenkamer'. Het Europees besluitvormingsproces wordt er nog verder door vertraagd terwijl het tekort aan bevoegdheden van het Europees Parlement er geen centimeter door verminderd wordt. Nuttiger en doeltreffender is de uitbouw van politieke contacten tussen de geestverwante fracties en partijorganen in Nederland en Brussel. Bij de VVD neemt wekelijks een Europarlementariër deel aan het beraad in de Tweede Kamerfractie (met spreekrecht). Het lijkt mij goed als in de toekomst Kamerleden om beurten deelnemen aan het geestverwante fractieberaad in Brussel. Dat zal een schat aan inzicht opleveren. Denkbaar is ook het uitwisselen van fractiestaven en het stagelopen van parlementsleden en/of medewerkers bij elkaar. Dit alles natuurlijk naast veelvuldig bilateraal woordvoerderscontact.

Ten slotte de logistieke maatregelen. Op dat vlak moet er het meeste gebeuren. Voor het verbeteren van de betrekkingen tussen de Tweede Kamer en het Europees Parlement zou het zeer dienstig zijn als de Nederlandse Europarlementariërs kantoorruimte krijgen op het Binnenhof. En dan niet in een paar achterkamertjes, maar bij de geestverwante fracties, zoals bijvoorbeeld in Denemarken het geval is. Groot nut kan ook het stationeren zijn van een plaatsvervangend griffier bij het Europese Parlement in Brussel. Deze is precies op de hoogte van de stand van zaken en kan de betreffende Kamercommissies voeden. Vervolgens kan worden gedacht aan het opzetten van een interparlementair informatienetwerk, waarbij de parlementen van de vijftien EU-lidstaten en het Europees Parlement zullen zijn aangesloten. Dit project zou vanuit Den Haag een nieuwe impuls moeten krijgen.

Het zou jammer zijn als de discussie over de verbetering van de betrekkingen tussen de Tweede Kamer en het Europees Parlement zou worden toegespitst op kwetsbare institutionele maatregelen, zoals die van het spreekrecht. Er zijn zoveel meer mogelijkheden denkbaar. Eén ding is duidelijk: de Tweede Kamer en het Europees Parlement moeten elkaar niet bestrijden, maar als bondgenoten optreden. En overigens ben ik van mening dat het Europees Parlement weg moet uit Straatsburg.

Mr.J.G.C. Wiebenga is lid van het Europees Parlement voor de VVD.