Europa laat Koerden in de steek

In fraaie resoluties heeft Europa jarenlang steun betuigd aan de Koerdische zaak. Maar Europa heeft zich laten degraderen tot waarnemer door passief in te stemmen met de arrestatie van PKK-leider Öcalan en dat de Koerden nu een uitweg zoeken voor hun frustraties is geen wonder, vindt Froukje Santing.

Het is afgelopen met de vrede'', voorspelde Herr Ali gisteren vanuit Berlijn in deze krant. Hij is een van de 150 millitante Koerdische vrouwen, mannen en kinderen, die in de vroege dinsdagmorgen het Griekse consulaat in Berlijn bezetten, als reactie op de arrestatie van hun leider, Abdullah Öcalan, van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK), in Turkije. Turkije-deskundigen in de Bondsrepubliek sloten zich bij zijn toekomstvisie aan. De reacties onder de Koerden in Nederland gaven eveneens blijk van grote teleurstelling, frustratie en moedeloosheid. ,,Met fraaie resoluties heeft Europa jarenlang steun betuigd aan de Koerdische zaak. Maar vervolgens werd overal de deur dichtgegooid'', werd benadrukt. Ook in ons land worden verdere acties van de Koerden niet uitgesloten, afgezien van het feit of men daar nu de publieke opinie in Nederland mee tegen zich in het harnas jaagt ja of nee. Wat hebben de Koerden immers nog te verliezen nu duidelijk is dat Europa genoegen neemt met de rol van waarnemer. De kwestie van de Koerden, het recht om hun eigen identiteit in Turkije te kunnen uitdragen, is momenteel verengd tot de vraag of Öcalan een eerlijk proces krijgt ja of nee. Zo niet, dan blijft Turkije een land dat niet past in de Europese Unie (EU) - de Koerdische kwestie ten spijt. Is het een wonder dat de Koerden opnieuw naar hun aloude wapens, - geweld en zelfverbrandingen - grijpen om hun eisen - vrijheid en erkenning - te blijven afdwingen?

Öcalan, die op 12 november vorig jaar op het vliegveld van Rome opdook - nadat Turkije onder dreiging van oorlog het buurland Syrië na jaren eindelijk zover had gekregen dat het deze man uitwees -, zorgde van het begin af aan voor veel politieke en diplomatieke opschudding, in zowel Italië als in de rest van Europa en in Turkije. Rome voelde zich vooral overvallen door deze ontwikkeling, maar was aanvankelijk ook gecharmeerd. Er lag een historische taak voor de linkse regeringscoalitie om de gewapende strijd van de PKK om te vormen tot een politieke strijd. Temeer omdat Öcalan immers bereid was om de wapens neer te legen in ruil voor een (politieke) dialoog tussen de Koerden en de Turkse regering. Daarmee zou een einde kunnen worden gemaakt aan de guerrilla-oorlog in Turkije, die tevens wordt gebruikt als een alibi om democratische hervormingen tegen te houden. De PKK-voorman zou berecht kunnen worden voor een internationaal tribunaal, ergens in Europa. Zover heeft het niet mogen komen. Italië merkte al snel dat de andere veertien lidstaten van de Europese Unie (EU) niet bereid waren om deze weg te ontsluiten. Affiniteit met de Koerden was één ding, medeverantwoordelijkheid nemen voor de Koerdische zaak was iets heel anders. Met als gevolg dat Ankara er wonderwel in slaagde om te benadrukken dat het hier niet om een vrijheidsstrijder en een vrijheidsorganisatie ging, maar om een man en een beweging die het bloed aan hun handen hebben van de zeker 30.000 doden die in de afgelopen 14 jaar in de strijd in Zuidoost-Turkije omkwamen. Zonder daarbij te vermelden dat een deel van die doden op de rekening moet worden geschreven van het eigen veiligheidsleger, dat zich altijd op het standpunt heeft gesteld dat alle middelen geheiligd zijn om het doel te bereiken: eliminering van de PKK.

De mensenrechten worden daarbij slechts incidenteel geschonden, betoogt Ankara. De realiteit is anders: de Koerden in Turkije zijn gaandeweg niet alleen van hun land verdreven, hun dorpen zijn vrijwel platgebrand en hun huizen zijn deels met de grond gelijkgemaakt, maar ook zijn ze van hun menselijke waardigheid beroofd. In naam zijn ze Turken, eersteklas burgers net als de rest van de bevolking, maar in de praktijk worden ze behandeld als separatisten die maar op een ding uit zijn: een onafhankelijk Koerdistan.

In de afgelopen tien jaar heb ik herhaaldelijk door Zuidoost-Turkije gereist, dat niet alleen steeds leger en leger werd, maar waar vooral de bevolking steeds moedelozer, bozer en radicaler werd. Elke familie had haar eigen verhaal. Ze hadden allemaal wel een zoon of dochter, oom of tante, vader of moeder die was gemarteld of gedood door de veiligheidsautoriteiten - het leger, de gendarme, de dorpswachters en al die andere, vaak anonieme mannen die met een wapen op zak de Turkse staat tegen de Koerden verdedigen.

Anderzijds maakte ook de PKK dodelijke slachtoffers onder de burgers. Vooral onderwijzers en andere overheidsfunctionarissen waren het doelwit. De Koerdische burgers werden als het ware tussen die twee strijdende partijen vermalen. Tegelijkertijd werden de Koerden door het veiligheidsleger gedwongen om te kiezen: samenwerken met de staat of anders behoor je tot de PKK. Die keus was voor velen niet moeilijk. Dat leidde, zeker in de begin jaren negentig toen de PKK oppermachtig was in Zuidoost-Turkije, tot een grote populariteit van de rebellen in de regio.

Maar gaandeweg voltrok zich ook een ander proces. De Koerden richtten het moedeloze hoofd weer op. Enerzijds snakt men in Zuidoost-Turkije nu naar een einde van het geweld, zowel van de PKK als van het veiligheidsleger, en naar het opheffen van de uitzonderingstoestand die burger- en legerautoriteiten dictatoriale macht toekent. Anderzijds weet men dat zonder die guerrillastrijd in de afgelopen 14 jaar de Koerden er nooit in waren geslaagd om de wereld ervan te doordringen van het feit dat ze bestaan, ook al wordt dat nog steeds officeel ontkend door de Turkse autoriteiten. Het afdwingen van dat laatste, erkenning van de Koerdische identiteit in Turkije, zien ze als hun volgende stap. Niet via de gewapende strijd, maar via de weg van de politiek. Zowel in Turkije zelf aan de hand van de pro-Koerdische HADEP-partij (die nu evenwel op last van de autoriteiten op de nominatie staat om te worden ontbonden, de vierde pro-Koerdische partij in successie), als via de politieke arm van de PKK in Europa (ERNK). Dankzij hen, en de democratische vrijheden die de grondwetten in de Europese landen hen bieden, is de PKK zich in de afgelopen jaren ook steeds meer als een politieke organisatie gaan profileren, die niet langer uit is op onafhankelijkheid, maar op erkenning. De guerrilla-oorlog is een drukmiddel om die eisen af te dwingen.

De Koerden hadden daarbij gerekend op een actieve ondersteuning van de Europese landen. In Zuidoost-Turkije wordt in gespekken vaak de verzuchting geslaakt dat `slechts Allah en het Westen de Koerden in Turkije kunnen bevrijden'. De druk van Europa op Ankara is onontbeerlijk om democratische hervormingen tot stand te brengen, die de Koerden culturele en politieke vrijheden toekennen. Het gesol met Öcalan in de afgelopen maanden, geen enkel Europees land was bereid om in Europees verband terzake een gezamenlijke aanpak af te dwingen, heeft ertoe geleid dat de Koerden het vertrouwen in hun (tot voor kort) Westerse vrienden hebben verloren.

De vraag is niet slechts of Öcalan een eerlijk proces te wachten staat. Wie een beetje vertrouwd is met de rechtsgang in Turkije kan het antwoord daarop zelf wel invullen: nee. Wat de Koerden vooral steekt is dat Europa, dat het Westen, zich heeft laten degraderen tot waarnemer door passief in te stemmen met de arrestatie van Öcalan door Turkije. Het is te gemakkelijk om nu te roepen dat we bij het proces tegen Öcalan zullen zijn, dat we niet willen dat hij de doodstraf zal krijgen. De realiteit is dat we de regie volledig uit handen hebben gegeven. Turkije schrijft ongehinderd het scenario voor de toekomst, niet alleen wat betreft de berechtiging van Öcalan, maar tevens wat betreft de Koerdenkwestie. De dreiging dat het land niet tot de EU mag behoren als het zich niet aan een `rechtsgang houdt die in overeenstemming is met de Europese normen', klinkt wel erg zwak. Brussel heeft immers al laten blijken dat dat wat haar betreft ook niet aan de orde is. Niets verhindert Turkije dan ook om op de oude voet voort te gaan. De ontbinding van de pro-Koerdische partij maakt gevoeglijk duidelijk hoe dat beleid er uit zal zien: de Koerden kunnen de erkening van hun identiteit voorlopig wel vergeten. Het mag geen wonder heten dat, ook al vallen de gewelddadige acties niet goed te praten, de Koerden in Europa een uitweg zoeken om hun frustratie, moedeloosheid en teleurstelling daarover te uiten.

Froukje Santing is redacteur van NRC Handelsblad.