Duits metaalakkoord

kunnen worden opgeborgen nu de Duitse werkgevers en werknemers in de metaalindustrie vannacht een akkoord hebben bereikt over een nieuwe CAO. Weliswaar heeft het akkoord – een loonstijging van 3,2 procent, een eenmalige uitkering van 350 D-mark en een eenmalige uitkering van een procent – slechts betrekking op de werknemers in de metaalindustrie in de deelstaat Baden-Württemberg, maar het heeft een wijdere uitstraling. Voor de krachtige metaal- en auto-industrie in Baden-Württemberg valt deze CAO, die neerkomt op een feitelijke loonstijging van bijna vier procent, nog wel te betalen. Het is de vraag of dat in alle andere Duitse deelstaten, laat staan in `euroland', het geval is.

In de monetaire unie heeft een CAO-akkoord in een belangrijke sector in een belangrijke economie een betekenis die verder gaat dan de koopkracht van Otto Normalverbraucher. Duitsland kent het beginsel van algemeen verbindend verklaring van CAO's en het akkoord van vannacht is maatgevend voor de afspraken in de rest van de Duitse metaalindustrie. Voor de Oost-Duitse deelstaten is de overeengekomen loonsverhoging fnuikend. Als vakbonden in de metaal- en industriesector in andere Europese landen de harde loonlijn van de IG Metall overnemen, dan zal dat eveneens effect hebben op de werkgelegenheid. Niet in de zin zoals minister van Financiën Oskar Lafontaine en andere voorstanders van forse loonsverhogingen in Duitsland beweren. Het zal geen banen scheppen maar ten koste gaan van banen. De werklozen in Europa zullen er niets mee geholpen worden.

DE OPWAARTSE loonbeweging in Duitsland heeft ook gevolgen voor het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank (ECB). Zodra in Frankfurt ook maar een spoortje van inflatiedreiging wordt bespeurd (zoals een forse loonsverhoging), gaat de rem op het rentebeleid. De kans dat de ECB binnen afzienbare tijd de eurorente nog iets zal verlagen, is na het Duitse loonakkoord drastisch afgenomen. Ironisch genoeg zit juist vandaag Lafontaine aan bij de ECB in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Europese ministers van Financiën.

De werklozen, degenen die uitgesloten zijn van de formele arbeidsmarkt waar de vakbonden de macht hebben om loonsverhogingen af te dwingen, zijn de werkelijke verliezers. In Duitsland, met meer dan tien procent werkloosheid en een stagnerende economie, is de kloof tussen werken en niet-werken weer breder geworden. De gedachte van Lafontaine en zijn adviseurs – onder wie zijn vrouw – dat de economie een forse koopkrachtinjectie nodig heeft om banen te genereren, zal een illusie blijken. Lafontaines eis dat de ECB met monetair beleid het werkloosheidsprobleem dient op te lossen, is verder ontkracht. Als werkgevers en werknemers overeenstemming bereiken over een duur CAO-akkoord dat de uitstoot van arbeid eerder versnelt dan verlangzaamt, hoeft van het monetaire beleid geen tegemoetkoming verwacht te worden.

Het stakingsconflict is bezworen, maar het conflict over het economische beleid is alleen maar verscherpt.