Sober en wijs

Als minister van Financiën in het laatste kabinet-Drees (1956-1958) werd de gisteren overleden prof.mr. H.J. Hofstra (94) bekend om zijn bestedingsbeperking, omdat zijn voorganger Van de Kieft te veel geld had uitgegeven.

En als oud-minister van Financiën en oud-hoogleraar belastingrecht werd hij tot diep in de jaren negentig geraadpleegd door PvdA-politici om de zwalkende partij weer op het rechte pad te helpen.

Hofstra past in het rijtje van sobere sociaal-democraten uit de jaren vijftig zoals Willem Drees en Pieter Lieftinck; socialisten met een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Nadat Hofstra, afkomstig uit een onderwijzersgezin in Den Haag, inspecteur der belastingen was geworden, werd hij in Kerkrade gedetacheerd temidden van arme mijnwerkersgezinnen.

,,God o god, de ellende van die mensen'', zei hij later.

Hofstra kreeg zijn ,,rode neigingen'' in de crisisjaren. De armoede op het platteland en in de steden overtuigde hem van de noodzaak van grootschalige overheidsinterventie. Belastingheffing was daarbij een belangrijk instrument. Hij bekeerde zich evenwel nooit tot het marxistisch model van de klassenstrijd. Polarisatie vond hij in strijd met zijn protestantse religieuze overtuiging. Wel ontwikkelde hij een sterk geloof in planning door de wijzen van Plato. ,,Naar mijn mening moet je als je een probleem hebt, gewoon een paar van de knapste koppen bij elkaar zetten die een goed program maken. En dan moet je de uitvoering daarvan in handen geven van een capabele organisatie, bijvoorbeeld het rijk'', zei hij later.

Na zijn Kamerlidmaatschap en ministerschap stapte Hofstra over naar het bedrijfsleven en werd hij directeur bij scheepsbouwer Verolme alsmede commissaris bij de KLM.

In 1966 trok de Rijksuniversiteit Leiden hem aan als hoogleraar belastingrecht.

Later ontwikkelde Hofstra zich tot criticus van de in zijn ogen onnodig ingewikkelde belastingwetgeving van zijn partijgenoot en staatssecretaris Willem Vermeend.