Slechte vrienden

De Amerikaanse psychologe Judith Rich Harris schreef, niet gesteund door een universitaire werkomgeving maar geheel op eigen kracht, een boek, getiteld The Nurture Assumption, in het Nederlands vertaald als Het misverstand opvoeding. Zij ondergraaft hierin het algemeen aanvaarde idee dat ouders de belangrijkste factor zouden zijn in de opvoeding van een kind. In werkelijkheid, stelt zij, wordt een kind, los van de genetische bagage, vooral gevormd door de vriendjes en vriendinnetjes met wie hij omgaat.

In deze tijd van bewuste opvoeding, waarin ouders graag een naslagwerkje raadplegen bij problemen met de kleine en zich volop zorgen maken of ze het wel goed aanpakken, is dit natuurlijk een controversieel standpunt. De discussie die zich vervolgens in de media ontspon leek een beetje op een touwtrekwedstrijd tussen twee kampen, al waren het niet ouders en peers zelf die elkaar bestreden, maar deskundigen (pedagogen, psychologen).

Wat ik me al die tijd afvroeg: wat wordt er nu precies beïnvloed in het kind? In een interview met Harris in Vrij Nederland sprak ze losjes de ene keer over invloed op `de ontwikkeling', dan weer op `het karakter' en ook nog op `de persoonlijkheid'. Dit zijn diffuse hoedanigheden, die zowel door externe invloeden tot stand komen alsook autonoom groeien. In welke mate een karakter bij de geboorte al present was of later pas gevormd werd, kan moeilijk worden vastgesteld. Neem bijvoorbeeld een dertigjarige architect met cholerische neigingen en een zwemhobby. Je kunt minutieus gaan uitspitten waar die opvliegendheid vandaan komt en wie dat zwemmen heeft gestimuleerd, maar tenzij je persoonlijk in hem geïnteresseerd bent, is dat niet zo relevant. Uit de persoonlijke waarheid kan ook geen algemeen geldende regel worden gedestilleerd.

Ouders proberen invloed uit te oefenen, maar die invloed moet wel aanslaan, anders is het vergeefse moeite. Je kunt een kind naar pianoles sturen of op atletiek doen, maar hij zal het op een gegeven moment zelf moeten willen, anders wordt het niks. Ouders hebben helemaal geen pretenties over hoe ontwikkeling, karakter of persoonlijkheid precies moeten worden ingevuld, áls er maar iets wordt ingevuld. Vraag je aan ouders wat ze hopen dat het leven voor hun kind in petto heeft, zeggen ze: `als-ie maar gelukkig wordt'. Deze dooddoener daargelaten komt bij nadere beschouwing hun antwoord erop neer dat ze het heel belangrijk vinden dat hun kind tenminste in gemiddeld comfortabele omstandigheden voor zichzelf kan zorgen. Dat het met andere woorden niet in de financiële penarie terechtkomt.

Ze zullen dan ook hun volle gewicht in de schaal leggen om hun kind hiervan te doordringen en, misschien nog wel belangrijker, ze zullen een woonomgeving uitkiezen die past bij hun aspiraties. De tegenstelling tussen ouders en peers zoals Harris die schetst, is een schijntegenstelling, want ouders en kinderen zitten allemaal onder de paraplu van hun sociale klasse. In een meritocratie als de onze wordt er hard aan gewerkt om de kansen voor sociale mobiliteit te verhogen (naar boven wel te verstaan). Het is nu voor kinderen uit de lagere sociale klasse iets makkelijker om naar het VWO en de universiteit te gaan dan vijftig jaar geleden. Maar nog steeds zijn de correlaties tussen welstandklasse van ouders en volwassen kinderen zeer hoog. Ook huwelijkspartners betrekken elkaar overwegend uit dezelfde sociale klasse, tot vreugde van hun ouders. Sociale klasse verenigt zowel de ouders als de peer group, want ouders oefenen via de keuze van woonomgeving en school indirect invloed uit op de vrienden van hun kinderen.

Desondanks slagen sommige kinderen met een ellendige achtergrond wonderwel in het leven en raken andere uit de beste milieus reddeloos aan lager wal. Komt het door de ouders? Komt het door slechte vrienden? Ik denk niet dat zoiets te traceren valt, althans niet met het kind in de rol van lege huls die zich vol laat lopen met invloeden. Het ligt anders. Sommige kinderen laten slechte invloeden van zich afketsen, andere zoeken ze juist op. Een kind kiest zelf.