Revolutie klapschaats krijgt vervolg in Flevoland

Op de ijsbaan in Dronten worden deze week proeven gedaan die moeten leiden tot een betere klapschaats en uiteindelijk tot nog snellere tijden. Ook de schaatstechniek verandert. ,,Je moet niet alleen sleutelen aan de bolide, maar ook aan de rijder.''

Als een schaatsende variant van de bionische man glijdt sprinter Eddy Stam over het ijs. Ontspannen zwiert hij van links naar rechts, op klapschaatsen die net als zijn schouders, heupen, knieën en enkels van sensoren zijn voorzien. Een kluwen van kabeltjes en draden loopt onder zijn schaatspak door naar een computerkastje dat hij op zijn rug meetorst. Als de schaatser uit de sprintploeg van de schaatsbond kromgebogen zijn slagen over het zojuist gedweilde ijs maakt, steekt uit het kastje een zwarte spriet recht omhoog waarmee informatie wordt ontvangen en verzonden.

Ver van de Olympic Oval in Calgary, waar komend weekeinde bij de wereldkampioenschappen sprint op de snelste baan ter wereld naar verwachting de records op de 500 en de 1.000 meter zullen sneuvelen, wordt deze week een belangrijke stap gezet op weg naar nog snellere tijden. Op 's werelds laagst gelegen ijsbaan (3.80 meter beneden NAP), het enkele maanden geleden voltooide Kwintus Nova in Dronten, doen onderzoekers van de faculteit der bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam vervolgonderzoek naar de klapschaats. Tot en met vrijdag staan dagelijks twee schaatsers op het ijs.

De experimenten in Dronten moeten ertoe bijdragen dat er voor de volgende Winterspelen, in Salt Lake City, een nog snellere schaats beschikbaar is. ,,Tussen nu en een aantal jaren komt er iets waarvan wij denken dat het beter is'', zegt Jos de Koning, universitair docent bewegingswetenschappen. Het heeft met een betere constructie en rotatie van de schaats te maken, verduidelijkt hij, in combinatie met een aangepaste rijtechniek. ,,Want je moet niet alleen sleutelen aan de bolide, maar ook aan de rijder.'' Proefkonijn Stam wacht met dekens over romp en benen tot hij weer het ijs op moet. ,,Leuk is anders'', zegt hij over het testwerk in de Flevopolder, ,,maar als je er nog wat uit kan halen is het meegenomen.''

In het najaar van 1997 deden VU-wetenschappers in Inzell veldonderzoek naar de klapschaats. Dat gebeurde onder leiding van hoogleraar biomechanica Gerrit Jan van Ingen Schenau, de man die geldt als de geestelijke vader van de klapschaats en vorig jaar april overleed. In Inzell reden anderhalf jaar geleden Nederlandse schaatsers als proefkonijnen over het ijs, met als doel bij de Olympische Spelen van februari 1998 in Nagano over een nog beter functionerende klapschaats te kunnen beschikken. Ook nu financiert de Stichting Technische Wetenschappen van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek het project. De samenwerking met de schaatsbond is optimaal. De Koning: ,,Het mes snijdt aan twee kanten: wij profiteren van het talent van de schaatsers en zij worden er ook beter van.''

In Inzell werden de bewegingen van schaats en schaatser op film vastgelegd en vervolgens beeldje voor beeldje geanalyseerd. In Dronten staat infraroodapparatuur die de bewegingen registreert en direct tot gegevens verwerkt. Dat levert een tijdbesparing van ongeveer drie maanden op.

Langs het ijs staan op tweeënhalve meter van elkaar zogenaamde Optotrak-sensoren, geavanceerde meetapparatuur uit Canada die in het laboratorium van de faculteit der bewegingswetenschappen en het VU-ziekenhuis worden gebruikt voor bewegingsanalyse. Er staan er in totaal zes, zodat de opname-apparatuur de reikwijdte van een schaatsslag kan bestrijken. Inclusief een twee meter hoge computerkast moet deze installatie elke dag worden opgebouwd en afgebroken. De apparatuur is te kostbaar, een slordige miljoen gulden, om 's nachts langs de baan te laten staan. De fabrikant van Optotrak paste de software aan en volgt de nieuwe toepassing op schaatsgebied met grote belangstelling.

Vanuit een provisorische werkplaats langs het ijs doen ongeveer acht mensen hun werk. Een van hen, Hans Meester, geldt als mede-uitvinder van de klapschaats. De instrumentmaker van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam was een van de vier mensen die in 1983 tijdens een receptie op het idee kwamen een klapschaats te ontwikkelen. Voor Meester gingen er drie maanden van voorbereiding vooraf aan de proeven in Dronten. Doordat hij de `hoekmeter' van de in het ANC ontwikkelde meetklapschaats vernieuwde en de `druksensoren' die de kracht op de voor- en de achterpot van de schaats meten nog gevoeliger maakte, kan het effect van de klapschaats nog beter worden gemeten.

De proef is onderdeel van een promotie-onderzoek van Han Houdijk dat in september 2000 klaar moet zijn. Als onderzoeker in opleiding aan de faculteit bewegingswetenschappen bestudeert hij ook de `ijswrijving' van de klapschaats en zoekt hij een antwoord op de vraag in hoeverre op de klapschaats met minder energie dezelfde prestatie kan worden geleverd. ,,Populair gezegd, loopt de motor van een schaatser 1 op 20 in plaats van 1 op 15.''

Voor pottenkijkers is De Koning niet bang. ,,Iedereen mag zien wat we hier doen. Het gaat uiteindelijk toch om de gegevens die dit oplevert. In Inzell keek ook de hele schaatswereld toe, maar aan de buitenkant kun je toch niks zien.'' Nederland is overigens niet het enige land waar aan een perfecte klapschaats wordt gewerkt. De Koning vermoedt dat een groep Japanners die zich al jaren bezighoudt met de fysiologie en de biomechanica van het schaatsen ook werkt aan verbeteringen van de klapschaats en voor zover hij weet zijn er soortgelijke activiteiten aan de universiteiten van Calgary en Berlijn. Met instrumentmaker Meester is hij ervan overtuigd dat Nederland nog vooroploopt met de klapschaats en dat die voorsprong nog een paar jaar kan worden geconsolideerd. In elk geval tot aan de Winterspelen van 2002.