Na de gijzeling

NEDERLAND HAD een speciale rol in de odyssee van de Koerdische rebellenleider Öcalan, die gisteren eindigde in een Turkse gevangenis. Herhaaldelijk is Nederland genoemd als de plek waar hij een nieuw, minder op een gewelddadige en meer op een politieke oplossing van het Koerdenvraagstuk gericht leven zou beginnen. Dat had te maken met de roep van Den Haag als wereldhoofdstad van het recht, zetel van het arbitragehof en beoogde vestigingsplaats van een nieuw internationaal straftribunaal. Maar Den Haag was vier jaar geleden ook de locatie van de oprichtingsbijeenkomst van een Koerdisch parlement in ballingschap, alle Turkse protesten ten spijt.

De Nederlandse beslissing dit parlement toch toe te laten was een verstandige, al was het alleen om te laten zien dat de Koerdische beweging méér is dan de radicale PKK. Het belang van dit onderscheid is alleen maar toegenomen door de gijzelingsactie van deze beweging in de Haagse residentie van de Griekse ambassadeur. Deze maakte deel uit van een goed-georkestreerde actie die over heel Europa golfde. Voorzover iemand de illusie mocht hebben dat `het Nederland van het parlement in ballingschap' een speciaal plaatsje innam bij de PKK, dan is dat nu voorbij.

HOEWEL DE ACTIES vooral gericht leken op publiciteit mag de ernst niet worden onderschat. Aanslagen op diplomatieke vestigingen, zelfs door een beweging die zichzelf in staat van oorlog beschouwt, kan ook een verdraagzaam land als Nederland niet over zijn kant laten gaan. Met een verbod van de PKK, zoals landen als Duitsland en Frankrijk hebben uitgevaardigd, schiet het echter weinig op. In Duitsland is het verbod trouwens in sterke mate ondergraven door een herenakkoord met leiders zoals Öcalan.

Door zijn acties heeft de PKK zich geprofileerd als een criminele organisatie, die speciale aandacht verdient van de vreemdelingenpolitie. Dit werkt overigens alleen maar averechts wanneer Nederland niet tegelijk open blijft staan voor Koerdische stromingen van een gematigder signatuur. Een eerste opening biedt het lot van de nu gevangen Koerdenleider. De vanzelfsprekendheid waarmee de Turkse premier Ecevit het heeft over een eerlijk proces voor Öcalan stemt niet overeen met de bevindingen van Europese organen voor de rechten van de mens in Straatsburg. Juist in het geval van Koerden hebben zij een structureel patroon van schendingen geconstateerd. De Europese partners van Turkije kunnen dit alarmsignaal niet negeren.