`Lading bevatte geen giffen en gassen'

De supervisor cargo van El Al, H. Aaij, getuigde vanmorgen voor de enquêtecommissie Bijlmerramp dat zijn verklaring over gevaarlijke stoffen gebaseerd was op een foute lijst.

Het is even stil, de getuige denkt na. ,,Ja, volgens mij was het mijn stem'', zegt H. Aaij als de band is gestopt. Bijna zes-en-een-half jaar na de ramp met het vrachtvliegtuig van El Al in de Bijlmermeer kan hij het nog steeds niet geloven. Op 4 oktober 1992, nog geen half uur na het ongeluk, heeft hij als medewerker op de vrachtafdeling van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al in een telefoongesprek met de verkeersleiders op Schiphol de verkeerde ladinglijst voorgelezen.

Zo hoorden ze in de verkeerstoren dat er giftige gassen en explosieven aan boord waren. Met daarbij het verzoek om dat niet naar buiten te brengen. De verkeersleiders beloofden dat. De opsomming die Aaij spontaan gaf, betrof echter het deel van de vracht uit New York die eerder die dag was uitgeladen op Schiphol, zo gaf Aaij vanmorgen toe.

Aaij, op die bewuste zondagavond in 1992 werkzaam als supervisor cargo bij de luchtvaartmaatschappij en verantwoordelijk voor de belading, werd vanmorgen met de camera`s op zich gericht voor het eerst geconfronteerd met de geluidsband, die eerder zoveel ophef veroorzaakte. De parlementaire commissie, die de Bijlmerramp onderzoekt, tracht deze week helderheid te krijgen over twee zaken die nauw met elkaar samenhangen: wat is er nu precies gebeurd met de vrachtdocumenten en wat was de aard van de lading?

Uit de verhoren van A. Goudsblom en A. van Neutegem, beiden verbonden aan Aeroground Services dat de vracht voor El Al afhandelde, bleek vanmorgen intussen dat ze al vóór het paniekerige telefoontje met de toren de belangrijkste ladingpapieren aan de autoriteiten op Schiphol hadden overhandigd. Dat gebeurde in een vergadering van de zogeheten Commissie van Overleg, die bij calamiteiten op Schiphol onmiddellijk bijeen wordt geroepen. De autoriteiten daar wisten dus dat er geen sprake was van de gevaarlijke lading waarover Aaij repte in zijn opgenomen telefoongesprek.

Goudsblom en Van Neutegem zeiden dat ze de notification to captain (notoc) voor het traject Amsterdam-Tel Aviv hadden overhandigd aan de Commissie van Overleg. Hierop staan de essentiële gegevens over de lading vermeld. Er bleek uit dat er geen explosieven, gif of bevroren gassen aan boord waren.

Iets minder zekerheid konden de papieren bieden omtrent de lading in het toestel, die in New York voor de eindbestemming Tel Aviv was ingeladen. De lijst daarvan hadden ze niet meegebracht. Maar ook hierover was informatie beschikbaar. Uit andere papieren, waarop stond aangegeven hoe alle goederen waren ingeladen, bleek eveneens dat er geen explosieven, giftige gassen en bevroren gassen bij waren. Wel bevonden er zich veel licht ontvlambare stoffen aan boord. Deze gelden ook als gevaarlijke stoffen en waren met codes aangegeven.

Goudsblom en Van Neutegem kregen bij binnenkomst bij het overleg direct de vraag voorgelegd: zaten er radioactieve zaken in de lading? Na een blik op de codes konden ze dat ontkennen. Goudsblom en Van Neutegem hadden de formulieren vervolgens bij de Commissie achtergelaten en waren er vanuit gegaan dat de wachtcommandant van de brandweer hier verder wel raad mee zou weten.

De geluidsband die vanmorgen werd beluisterd zat in opname-apparatuur van de verkeersleiding waardoor de stem aan de andere kant van de lijn niet altijd duidelijk te horen is. Niettemin was Aaij er vrij zeker van dat hij zichzelf hoorde antwoorden op vragen van een verkeersleider. ,,Ik meen mijn stem te herkennen, maar kan me het gesprek niet meer herinneren'', aldus Aaij. Merkwaardig genoeg wist hij nog wel dat het ,,absoluut niet'' zijn bedoeling was geweest om informatie geheim te houden. ,,Het was meer zoiets van ga er niet mee lopen leuren, ga niet meer paniek maken dan nodig is, maar ga aan het werk. Zorg dat de brandweer het te weten komt. Doe wat je moet doen'', aldus Aaij, die in het verhoor werd bijgestaan door een advocaat. Op een vraag van de commissie ontkende hij ten stelligste dat de luchtvaartmaaschappij een instructie hanteert om informatie over gevaarlijke lading achter te houden. ,,Absoluut niet''.

Hij herinnerde zich die avond als zeer hectisch. ,,Ik was behoorlijk opgefokt, vooral door de telefoontjes van de pers en allerlei obscene vragen die daarin werden gesteld'', deelde hij de commissie mee.

Eerder had hij de commissie geschetst hoe hij doorgaans werkt: rustig en evenwichtig. Het bericht over de ramp bereikte hem via het portofoonsysteem; zijn collega J. Plettenberg schreeuwde via het apparaat om twintig voor zeven dat het vrachtvliegtuig was gecrasht. ,,En toen direkt daarna CNN belde, wist ik het zeker''.

Het zou volgens hem niet bij zijn karakter passen om in paniek de verkeerde handelingen te verrichten. Uit de informatie die nu beschikbaar is moet echter worden afgeleid dat de supervisor zijn hoofd er niet helemaal bij had. Aan het eind van het verhoor stond hem iets duidelijker voor ogen hoe het die avond was gegaan. ,,Toen er meer mensen op kantoor binnen kwamen lopen, ben ik in een soort shock geraakt. Er kwamen armen om me heen, ze wilden me troosten.''

Hoe ,,opgefokt'' hij na de crash was, bleek ook uit iets anders. Op vragen van de commissie bevestigde Aaij dat hij voorafgaand aan het telefoontje met de verkeersleiding de lijst van gevaarlijke stoffen heeft gefaxt. ,,Dat was op een dringend verzoek van iemand, maar ik weet niet meer wie dat geweest is'', aldus Aaij.