Koerdenleider Öcalan zag er geen gat meer in

De Turks-Koerdische leider Abdullah Öcalan wist niet meer waar hij het zoeken moest sinds hij in de steek gelaten werd door de Syrische president Assad.

De eens zo gevreesde Abdullah Öcalan was de laatste maanden een depressief man, die eigenlijk niets meer wilde, behalve veiligheid voor zichzelf. De gewelddadigste leider die de Turkse Koerden ooit hadden gehad, was een schaduw van zichzelf sinds Syrië hem niet langer steun en bescherming gaf. Dat vertellen diverse hem goed gezinde Koerden die hem onlangs langdurig spraken. Geen van hen wil, uit angst voor repercussies, bij name worden genoemd.

Zij raadden hem aan om zijn tot niets leidende zoektocht naar politiek asiel te staken en naar Iraaks Koerdistan te komen om van daaruit de oorlog voort te zetten. Dan zou hij contact kunnen opnemen met zijn oude vriend president Saddam Hussein van Irak, en misschien met diens hulp nog het een en ander tegen Turkije kunnen doen.

Maar Öcalan weigerde. Hij zei dat het geen zin had verder strijd te voeren, omdat geen van de leiders in het Midden-Oosten deugde. Hij doelde, zonder zijn naam te noemen, in de eerste plaats op de Syrische president Hafez al-Assad. Want die had, van de ene op de andere dag, zijn handen van hem afgetrokken, toen de Turkse generaals in oktober met oorlog dreigden als Öcalan nog verder door Syrië zou worden beschermd.

Wat Öcalans Koerdische gesprekspartners het meeste trof, was de stelligheid waarmee hij verklaarde bereid te zijn om waar dan ook – als het maar niet in Turkije was – terecht te staan en desnoods in de gevangenis te belanden. Zij waren ontzet over zijn gebrek aan moed. ,,Hij was panisch dat de Turken hem te pakken zouden nemen'', vertelt een van hen. ,,Als iemand zoveel doden op zijn geweten heeft en dan bang is om zelf vermoord te worden, is dat alleen maar pathetisch.''

Toen herinnerden zij zich dat Ocalan zèlf nooit had gevochten. Altijd was hij in veiliger streken. En altijd als de grote propagandist van een niets en niemand ontziende strijd tegen het wereldimperialisme – tegen het Turkse leger, tegen alle Koerdische mannen, vrouwen en kinderen die hem niet volgden, en tegen de toeristen in zijn land. Die strijd verkondigde hij eind jaren '70 in Beiroet, toen hoofdstad van de wereldrevolutie.

Later deed hij dat in de Syrische hoofdstad Damascus of in de door Syrië beheerste Beka'a-vallei in Libanon. Als een waar veldheer sprak hij zijn mannen toe, één hand op de rug, hen streng in de ogen kijkend, vaak met de opdracht te moorden.

De Iraakse Koerden met wie hij recentelijk contact had, hadden er geen enkel begrip voor dat hij de strijd wilde opgeven. Want hùn leiders hadden, vrijwel zonder uitzondering, altijd persoonlijk deelgenomen aan de guerrilla tegen het centrale bewind in Bagdad. Samen met hun manschappen, de peshmerga, hadden zij onder de meest barre omstandigheden in de bergen gezeten, samen met hen honger en kou geleden en samen met hen gevochten. Öcalan daarentegen had als een geëerde gast van de Syriërs een gouden ballingschap genoten. Wie de Turkse ambassade in Damascus bezocht, kreeg daar te horen in welke straat en op welk huisnummer Öcalan woonde.

De klap die president Hafez al-Assad hem in oktober toediende door hem uit te wijzen, was daarom zo groot omdat Syrië vele jaren de belangrijkste steunpilaar was van Öcalan en de PKK. Zo kregen Syrische Koerden die bereid waren met de Turkse peshmerga mee te vechten, vrijstelling van dienstplicht. Zij werden tot voor kort 'snachts door Syrische legerauto's naar de grens gebracht. Daarmee sloeg het bewind in Damascus twee vliegen in één klap. Het exporteerde potentiële Koerdische nationalisten naar de buurlanden, opdat ze in eigen land geen problemen zouden opleveren. En het manifesteerde zich tegenover de eigen Koerdische bevolking, die bij voorbeeld in de sloppenwijken van Aleppo een miserabel bestaan leidt, als een èchte vriend van het Koerdische volk.

Voordat zij in het holst van de nacht over de grens trokken, hadden deze vrijwilligers een militaire opleiding gekregen in de kampen van Syriës bondgenoten in de Beka'a-vallei, met name van de radicaal-shi'itische Hezbollah-beweging. De Turken wisten dat al sinds jaren. Maar op hun diplomatieke protesten volgden steevast keiharde ontkenningen van Syrische kant, met als eeuwig refrein: ,,Bewijs het maar.''

Öcalan was er dan ook zeker van dat die Syrische steun niet zou wegvallen – vooral toen de toch al niet beste relaties tussen Syrië en Turkije nog verder verslechterden als gevolg van de verbeterende relaties tussen Israel en Turkije. Maar hij begreep nooit iets van de internationale politiek en haar wisselvalligheden. Wèl wist hij dat zijn circa 6.000 strijders, die in Iraaks Koerdistan hun toevlucht hadden gezocht nadat ze uit Turks Koerdistan waren verdreven, steeds meer klappen kregen en steeds minder kans hadden om het Turkse leger gevoelig te treffen. Daarom gaf hij de strijd op.

,,Hij capituleerde'', zegt een vroegere bewonderaar. ,,En omdat hij de PKK en haar zogenaamd politieke organen als een leger had georganiseerd, zonder dialoog of politieke infrastructuur, zal de PKK hem niet overleven. Natuurlijk kunnen ze demonstraties in West-Europa organiseren. Dat is niet zo moeilijk voor een groepering die intern alleen bevelsstructuren en strikte gehoorzaamheid kent.'' ,,Maar politiek bedrijven is iets heel anders. Temeer omdat de partij in een staat van permanente oorlog is met de rest van de wereld, inclusief de overige Koerden. Al die demonstraties kunnen noch Öcalan noch de PKK van de ondergang redden. Want Öcalan heeft er met zijn politiek van liquidaties voor gezorgd dat hij nummer 1 tot en met 30 in de partijleiding is. Daardoor zijn hij en de PKK in feite hetzelfde.''

,,Misschien is het onvermijdelijke uiteenvallen van de PKK in kleine stukjes voor ons wel het beste. Dan kunnen andere Koerden die de wereld wat beter kennen, eindelijk het werk overnemen, zonder het risico te lopen door hun mede-Koerden te worden vermoord.''