Enron India komt moeizaam op gang

Na vier jaar van geruchten over omkoping, schending van mensenrechten en een onwillige Indiase overheid gaat het Amerikaanse energieconsortium Enron binnenkort zijn eerste elektriciteit opwekken in India.

De grootste buitenlandse investering tot nu toe in India, en met een waarde van 2,4 miljard dollar het grootste private energieproject ter wereld, kwam uiterst moeizaam tot stand. De bouw van de elektriciteitscentrale, met een capaciteit van 2.184 megawatt, werd in 1995 een jaar stilgelegd met de komst van een nieuwe regering in Maharashtra, de deelstaat waarvan Bombay de hoofdstad is. Maharashtra vormt het economische hart van India en is de meest welvarende deelstaat van het land.

De regeringscoalitie in Maharashtra, gevormd door de nationalistische Bharatiya Janata Party (BJP) en de extreem-rechtse hindoepartij Shiv Sena, schrapte het project in 1995 omdat de voorgaande deelstaatregering het energiebedrijf uit Houston veel te gunstige vestigingsvoorwaarden zou hebben verleend. De rechtse partijen, die in India bekendstaan om hun beschermingswoede als het gaat om de nationale economie, zagen liever dat Indiase bedrijven geld zouden verdienen aan de opdracht.

Inmiddels heeft de BJP, die sinds een klein jaar ook de landelijke regering leidt, ten dele bakzeil gehaald en gesteld dat grote infrastructurele projecten als luchthavens, wegen en elektriciteitscentrales desnoods door buitenlandse ondernemingen kunnen worden uitgevoerd om de stagnerende Indiase economie vooruit te helpen.

Het Amerikaanse energiebedrijf had echter niet alleen te maken met nationalistische motieven van de overheid. Enron, dat in India samen met de Amerikaanse ondernemingen General Electric en Bechtel opereert, werd er destijds ook van beschuldigd geld te hebben betaald om het grote contract in het westen van India in de wacht te slepen. Een rechtbank vond echter geen bewijzen voor de beschuldigingen en Enron trad opnieuw in onderhandelingen met de deelstaatregering. Maar de problemen voor het Indiase avontuur van Enron waren nog lang niet over.

Vorige maand verscheen in New York een rapport van de internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch waarin Enron ervan werd beschuldigd ,,medeplichtig'' te zijn aan ,,ernstige mensenrechtenschendingen'' in India. Vreedzame demonstranten in de omgeving van de elektriciteitscentrale, in Guhagar, 335 kilometer ten zuiden van Bombay, zijn volgens Human Rights Watch regelmatig afgetuigd en bedreigd door veiligheidsmensen van de Dabhol Power Corporation, waarvan Enron voor vijftig procent eigenaar is. Burgers die hun mening wilden uiten en vreedzaam protesteerden tegen de komst van de energiecentrale werden ,,systematisch onderdrukt'', aldus het rapport van de organisatie.

Ook de Amerikaanse regering, die een grootse promotiecampagne hield voor Enrons investeringen in het westen van India, kreeg ervan langs. Washington zou, net als Enron, ten onrechte hebben verzuimd te onderzoeken in hoeverre de lokale actievoerders slachtoffer waren geworden van geweld en intimidatiepraktijken van particuliere veiligheidsmensen en de Indiase politie. ,,Bedrijven kunnen niet de andere kant op kijken als demonstranten worden geslagen vlak buiten de poort'', aldus Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch in een toelichting op het rapport.

De protesten tegen de bouw van de centrale in Maharashtra begonnen in 1992. Lokale boeren klaagden dat hun land illegaal was overgenomen voor de centrale en dat het broodnodige rivierwater plotseling werd omgeleid; vissers demonstreerden omdat zij vrezen dat hun visgronden zullen worden aangetast door de afvalstoffen van de centrale.

Volgens het onderzoek van Human Rights Watch werden Indiase burgers bij zeker dertig incidenten het slachtoffer van geweld. In juni 1997 werden tientallen burgers, onder wie een zwangere vrouw, willekeurig met stokken geslagen en gearresteerd door de politie van Maharashtra. Een maand eerder waren al bijna 180 demonstranten gearresteerd. De politiemensen zouden zijn betaald door Enron, aldus de organisatie in zijn rapport. Volgens Human Rights Watch gaf de Amerikaanse regering leninggaranties af van bijna 300 miljoen dollar terwijl de Indiase media al uitvoerig melding maakte van het geweld tegen de demonstranten. De Amerikaanse ambassadeur in India in het midden van de jaren negentig, Frank Wisner, zei volgens Human Rights Watch in een gesprek dat hij nooit informatie had gekregen over mensenrechtenschendingen inzake de energiecentrale. Na zijn afscheid van India anderhalf jaar geleden trad hij toe tot de raad van bestuur van Enron Oil and Gas.

Rebecca Mark, directeur van de betrokken divisie van Enron Corporation, weerlegde vorige week de aantijgingen van Human Rights Watch. ,,Wij zijn bijzonder teleurgesteld over het rapport'', zei Mark. Eerder hadden bestuurders van Enron al gesteld dat de beschuldigingen in het rapport ,,uit zijn verband'' zijn en dat Enron geen controle heeft over handel en wandel van de lokale Politiek in India.

    • Rob Schoof