De telefoonman

Natuurlijk greep ik ook vandaag, zodra ik wakker werd, niet naar de koffie. Eerst luistert mijn slaaphoofd aan de hoorn van de telefoon. Een neurotische reactie die ik me in dit eerste half jaar dat ik in Brazilië woon eigen heb gemaakt. En ja hoor. Opnieuw dood. Ik tel: dit is nu de veertiende keer in drie weken dat mijn telefoon niet de dienst verleent waarvoor ik betaal.

De sage van mijn telefoon is een boeiend verhaal. Het in werking houden van mijn ene lijntje is inmiddels een tewerkstellingsproject voor dertig mensen.

Telefoonlijnen in Brazilië zijn even schaars als palmbomen in Amsterdam. Om de eenvoudige reden dat het tefoonbedrijf Telerj geen donder uitvoert. In de wereldstad Rio wachten vijf miljoen mensen al meer dan zes jaar op een aansluiting. Maar als je iemand van de telefoondienst tegenkomt, liggen ze in hun auto te slapen. Anders zitten ze in de nesten die ze met zeildoek in de telefoonpalen bouwen. Daar keuvelen ze, als verborgen zwaluwen, met familie en vrienden over de wereld. Op kosten van de abonnee.

Zo knutselt Telerj er gemiddeld drieduizend lijntjes per jaar bij. Geluk als ze werken. Maar meestal moet je twintig keer draaien. Je komt in de raarste landen terecht. En doorgaans zitten er nog twee andere gesprekken op je lijn. Sinds de invoering van Internet is `www.ik.haat.telerj' de meest populaire website van Brazilië – als je tenminste verbinding krijgt.

Maar waar geen oplossing is, bestaat in Brazilië ook altijd de omweg. Moet je echt een telefoonlijn? Dan ga je naar de zwarte markt. Je koopt voor veel geld de lijn van een arme die er zijn gezin weer van te eten kan geven. Mannen en vrouwen in nette kantoren organiseren de zwarte-lijnenhandel. Ze staan gewoon in het telefoonboek.

Zo kocht ook ik mijn lijn. Tweeduizend dollar, en wachten. Want ook voor je zwarte lijn ben je afhankelijk voor een aansluiting door de mannen van Telerj. Elke dag ging ik naar de telefooncel. Telefoonkaart erin, nummer van Telerj draaien, en dan maar schreeuwen, bidden, smeken en dreigen om een aansluiting.

Wie zeurt die wint. Na twee maanden kwamen ze mijn telefoon aansluiten. Mijn Braziliaanse vrienden waren verbijsterd: nu al!? De mannen van Telerj kwamen met meters en snoeren, en werkten zo hard dat ze moesten zweten. Druipend stonden ze na een uur voor me: ,,Mevrouw, we kunnen uw telefoon niet aansluiten.'' Niet aansluiten, hoezo? Hoe moeten mijn stukjes dan naar de krant? De mannen haalden hun schouders op en raadden me aan te verhuizen. ,,Het gaat nog minstens zes jaar duren voordat we u aan kunnen sluiten. En heeft u nu een glaasje water voor onze dorst?''

Bekijk het maar. Je krijgt geen water. Eerst vertel je me wat de naam is van je hoogste baas. ,,Je neemt dat inplugbare telefoontje van je en belt die baas onmiddellijk op'', zei ik, ,,daarna krijg je water.'' De mannen gehoorzaamden. En zo kreeg ik chef Ramon aan de lijn.

Ik zei dat zijn naam inmiddels gefluisterd werd op ministeries en ambassades in heel Brazilië: ,,Als u niet on-mid-del-lijk zorgt dat ik een telefoon krijg, vrees ik het ergste voor u.'' Ramon hing op en de mannen dronken.

Die avond dronk ook ik. Een biertje en nog en nog maar een. Eindelijk had ik een huis weten te huren, en nu moest ik weer weg.

De volgende dag was het zondag. Om acht uur 's morgens ging de bel. Welke gek komt er nu op deze tijd langs? ,,Telerj, mevrouw'', zeiden de mannen. Dezelfde mannen die mij eerst vertelden dat de enige optie verhuizen was. Binnen tien minuten legden ze een lijn aan. Ik verdiepte me verder niet verder in dit raadsel, en genoot de hele zondag van mijn telefoon.

Maandag was het over. Lijn dood. Weer in de rij bij het telefoonbedrijf. Wachten op verbinding met de storingsdienst waar juffrouwen zitten die de hoorn opnemen en hem onmiddellijk weer neerleggen. In mijn hoofd schreef ik honderden e-mails naar `Ik Haat Telerj'.

Een week later had ik beet. Een man van Telerj kwam mijn dode telefoonlijn bekijken. Hij examineerde hem en sprak: ,,Ze hebben uw lijn er zondag gewoon bij uw buren uitgetrokken, en maandag de knop weer naar de buren omgezet.'' Chef Ramon had zijn positie veiliggesteld volgens het principe `missie volbracht, maakt niet uit wat er daarna gebeurt'. Zo trokken de buren en ik een tijdlang aan dezelfde lijn. Wie op dat moment meer invloed had bij Telerj kreeg de kiestoon.

Inmiddels is mijn status bij het telefoonbedrijf aardig gestegen. Een simpel telefoontje van mijn kant doet de paniek daar onmiddellijk toeslaan. ,,Het is Dona Marjon'', wordt er gefluisterd. Ze kennen me. ,,Kunt u al-stu-blieft voor eens en voor altijd mijn lijn komen maken?!!'' Dat kan, zeggen Paola of Fernando of juffrouw Agnes dan. Ik ken ze inmiddels, de bazinnetjes waartoe `gewone' klanten geen toegang krijgen. En verdomd. Dan staat mijn `eigen telefoonman' 's middags weer op de stoep. Hij hoeft niet meer te vragen om water, dat krijgt hij vanzelf.

Omgekeerd geniet ik een voorrecht waar andere telefoongebruikers niet aan kunnen tippen. Die moeten de wachttijd van zes weken uitzitten. Ik niet. En mijn telefoonman legt precies uit wat er nu weer aan de hand is. Zo kreeg ik, na wekenlang touwtrekken met buren, uiteindelijk toch een eigen lijn. Maar die deed het niet langer dan een paar dagen, want een andere ploeg van de telefoondienst die in de straat aan het werk was, vond mijn nieuwe lijn `overbodig' en knipte hem door.

Toen mijn telefoonman de lijn een paar dagen weer aan elkaar had geplakt, dacht ik voor eeuwig met de wereld verbonden te zijn. Maar nee. Maar nee. Opnieuw knipte een ploeg van de telefoondienst mij door. Zestien man sterk waren ze nu in de straat aan het werk. `Nieuwe lijnen aanleggen', zeiden ze.

Mijn telefoonman moest er zes keer aan te pas komen. ,,We werken in deze zone met vier ploegen'', vertelde hij onder het nuttigen van zijn glas water. ,,En elke ploeg doet zijn eigen dingen.'' Zo rijdt de telefoonman een paar keer per week met zijn jeep naar mijn huis, omdat de ene ploeg steevast het werk van de andere uithaalt.

Daarom ben ik in Brazilië nu een VIP. Mensen hebben secretaresses, werksters, en klusjesmannen. Ik heb een telefoonman. Wie heeft er nu een betaalde functionaris die steeds weer zijn hele werkdag verpest om persoonlijk jouw lijntje in werking te stellen? Vanmiddag was hij er weer, mijn telefoonman. ,,Kom gezellig hier wonen'', stelde ik voor. ,,Veel praktischer.'' Het leek hem een goed idee, maar hij was bang dat zijn vrouw tegen zou zijn.